ECLI:NL:RVS:2025:3032
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende motivering geloofwaardigheid
Appellant, afkomstig uit Colombia, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd vanwege bescherming tegen seksueel misbruik en bedreigingen door familieleden. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees dit verzoek op 17 juni 2024 af, omdat het asielrelaas volgens hem ongeloofwaardig was door tegenstrijdigheden en ongerijmdheden.
De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond op 29 november 2024, waarbij zij het oordeel van de minister volgde. Appellant stelde echter in hoger beroep dat de rechtbank onvoldoende rekening had gehouden met een psychologisch rapport dat haar psychische klachten en de mogelijke invloed daarvan op haar verklaringen beschreef.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank het rapport ten onrechte niet had betrokken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid. Omdat de minister het rapport wel relevant achtte en een BMA-onderzoek had aangevraagd, had zij gemotiveerd moeten uitleggen waarom het rapport haar beoordeling niet wijzigde.
Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het beroep alsnog gegrond verklaard en het besluit van 17 juni 2024 vernietigd. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt vernietigd en het beroep gegrond verklaard.