ECLI:NL:RVS:2025:3080
Raad van State
- Hoger beroep
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid en ongegrondverklaring beroep tegen verblijfsvergunning asiel
Appellant had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 24 oktober 2024 werd ingewilligd. De minister vulde de motivering van dit besluit aan op 21 januari 2025. Appellant stelde beroep in tegen beide besluiten bij de rechtbank Den Haag, die het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk verklaarde en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond.
Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe rechtsvragen bevatte die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moesten worden. De Afdeling verwees naar een eerdere uitspraak van 9 oktober 2024 waarin soortgelijke rechtsvragen al waren beantwoord.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister is niet gehouden tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 9 juli 2025.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.