AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verzoek tot proceskostenvergoeding na intrekking hoger beroep huurtoeslag herziening
De Dienst Toeslagen herzag bij besluit van 11 februari 2023 de definitief toegekende huurtoeslag van verzoekster over 2021 en stelde deze vast op nihil, met terugvordering van € 3.672,00. Verzoekster maakte bezwaar en startte beroep, dat door rechtbank en later in hoger beroep werd behandeld. Op 6 juni 2025 kwam de Dienst Toeslagen verzoekster tegemoet door de huurtoeslag voor 2021-2023 alsnog vast te stellen op respectievelijk € 3.585,00, € 3.636,00 en € 3.869,00. Verzoekster trok daarop het hoger beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat op grond van artikel 8:75a Awb bij intrekking van het hoger beroep wegens tegemoetkoming door het bestuursorgaan proceskosten kunnen worden toegekend. Partijen waren het eens over vergoeding van griffierecht, forfaitaire proceskosten voor bezwaar en hoger beroep, en reiskosten. Verzoekster vroeg daarnaast vergoeding van werkelijk gemaakte advocaatkosten en overige reiskosten. De Afdeling wees de vergoeding van portokosten af, kende een deel van de reiskosten voor advocatenbezoeken toe, maar wees de vergoeding van volledige advocaatkosten af wegens onvoldoende bijzondere omstandigheden.
De Afdeling veroordeelde de Dienst Toeslagen tot betaling van een totaalbedrag van € 4.315,34 aan verzoekster, inclusief griffierecht. Hiermee werd het verzoek tot proceskostenvergoeding toegewezen.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak wijst het verzoek tot proceskostenvergoeding toe en veroordeelt de Dienst Toeslagen tot betaling van € 4.315,34 plus griffierecht.
Uitspraak
202403905/2/A2.
Datum uitspraak: 9 juli 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzoek van:
[verzoekster], wonend in [woonplaats],
verzoekster,
om een proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep (artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)).
Procesverloop
Bij besluit van 11 februari 2023 heeft de Dienst Toeslagen de aan [verzoekster] voor het jaar 2021 definitief toegekende huurtoeslag herzien en vastgesteld op nihil. Ook heeft de Dienst Toeslagen het al aan haar uitbetaalde bedrag van € 3.672,00 van haar teruggevorderd.
Bij besluit van 19 juni 2023 heeft de Dienst Toeslagen het door [verzoekster] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 mei 2024 heeft de rechtbank het door [verzoekster] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld.
De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 mei 2025, waar [verzoekster], bijgestaan door mr. J. Nieuwstraten, advocaat in Rotterdam, en de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], zijn verschenen.
Bij besluit van 6 juni 2025 heeft de Dienst Toeslagen het beroep van [verzoekster] op het vertrouwensbeginsel alsnog gehonoreerd en de huurtoeslag over de berekeningsjaren 2021 tot en met 2023 met dagtekening 23 juni 2025 vastgesteld op € 3.585,00, € 3.636,00 en € 3.869,00.
Bij brief van 25 juni 2025 heeft [verzoekster] het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht de Dienst Toeslagen te veroordelen in de bij haar opgekomen proceskosten.
Overwegingen
1. Artikel 8:75a luidt: "In geval van intrekking van het hoger beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het hogerberoepschrift is tegemoetgekomen, kan het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 inPro de kosten worden veroordeeld."
2. Gelet op het besluit van 6 juni 2025 is de Dienst Toeslagen aan [verzoekster] tegemoetgekomen.
3. Partijen zijn het erover eens dat [verzoekster], naast een vergoeding van het griffierecht voor het beroep en hoger beroep, recht heeft op de volgende forfaitaire bedragen:
- een proceskostenvergoeding voor het bezwaar van 1 punt à € 647,00;
- een proceskostenvergoeding voor het hoger beroep van 2 punten à € 907,00 = € 1.814,00;
- reiskosten voor het bijwonen van de zitting in beroep van € 4,76;
- reiskosten voor het bijwonen van de zitting in hoger beroep van € 16,78.
4. [verzoekster] vraagt daarnaast om vergoeding van de volgende kosten:
- de werkelijk gemaakte advocaatkosten voor het beroep van € 2.904,00;
- vijf bezoeken aan de advocaten met het openbaar vervoer van in totaal € 16,00;
- zes bezoeken aan de advocaten met de auto (parkeerkosten) van in totaal € 26,93;
- reiskosten voor het bijwonen van de hoorzitting in bezwaar van € 4,14;
- portokosten van € 11,27.
5. In artikel 1 vanPro het van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) is uitputtend geregeld welke kosten op grond van artikel 8:75 vanPro de Awb voor vergoeding in aanmerking komen. Portokosten behoren daar niet toe, reiskosten wel. De Afdeling ziet in dit geval aanleiding om een vergoeding toe te kennen voor een deel van de reiskosten die [verzoekster] heeft gemaakt voor een persoonlijk onderhoud met haar advocaten, te weten voor één bezoek in de bezwaarprocedure, voor één bezoek in de beroepsprocedure en voor één bezoek in de hogerberoepsprocedure van in totaal € 14,66. Ook de reiskosten van € 4,14 voor het bijwonen van de hoorzitting in bezwaar komen voor vergoeding in aanmerking.
6. Op grond van artikel 2, eerste lid, van het Bpb, gelezen in samenhang met de bijlage daarbij, stelt de Afdeling de proceskostenvergoeding voor het beroep forfaitair vast op 2 punten à € 907,00 = € 1.814,00.
Op grond van het derde lid van die bepaling kan in bijzondere omstandigheden van het eerste lid worden afgeweken. De Afdeling acht de omstandigheden die [verzoekster] heeft aangevoerd, zoals de stress die zij door de procedure heeft ervaren en het gegeven dat zij vanwege haar vermogen niet in aanmerking kwam voor een toevoeging, niet zodanig bijzonder dat de werkelijk gemaakte advocaatkosten voor het beroep vergoed moeten worden.
7. Het verzoek dient op na te melden wijze te worden toegewezen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. wijst het verzoek toe;
II. veroordeelt de Dienst Toeslagen om aan [verzoekster] te betalen een vergoeding van € 4.315,34;
III. gelast dat de Dienst Toeslagen aan [verzoekster] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 188,00 voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. H. Benek en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.G. de Vries-Biharie, griffier.