Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2025:3155

Raad van State

Datum uitspraak
16 juli 2025
Publicatiedatum
10 juli 2025
Zaaknummer
BRS.25.000334
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 8:54 AwbArt. 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank wegens nalaten proceskostenvergoeding in vreemdelingenzaak

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en wees een proceskostenvergoeding af vanwege een administratieve omissie.

In hoger beroep klaagt appellant terecht dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenvergoeding toekende ondanks het geconstateerde bevoegdheidsgebrek. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de rechtbank dit gebrek had moeten honoreren met een proceskostenveroordeling.

De Afdeling vernietigt daarom het deel van de uitspraak waarin de proceskostenvergoeding werd afgewezen, bevestigt het overige en veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. De vergoeding betreft € 2.721,00 aan rechtsbijstandskosten en € 476,00 aan griffierecht.

Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant wegens bevoegdheidsgebrek in het bestreden besluit.

Uitspraak

BRS.25.000334
Datum uitspraak: 16 juli 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 10 maart 2025 in zaak nr. NL24.34421 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 14 december 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om appellant een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 9 augustus 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 10 maart 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A.C.J. Letmaath, advocaat in Uden, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       In de eerste grief klaagt appellant dat de rechtbank bij het geven van toepassing aan artikel 6:22 van Pro de Awb de minister ten onrechte niet heeft veroordeeld in de door hem gemaakte proceskosten.
1.1.    De rechtbank heeft overwogen dat een bevoegdheidsgebrek kleeft aan het besluit, voor zover het besluit door de staatssecretaris is genomen in plaats van de minister. De rechtbank heeft dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb gepasseerd, maar heeft geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling, omdat slechts sprake is van een administratieve omissie. De rechtbank heeft hierbij ten onrechte verwezen naar een uitspraak van de Afdeling over de beoordeling van de ernst van een gebrek in het kader van de belangenafweging en de mogelijke gevolgen van een gebrek voor de rechtmatigheid van een maatregel van bewaring. Dat is hier niet aan de orde. Gelet op het geconstateerde gebrek, had zij de minister moeten veroordelen tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten. De grief slaagt.
2.       De zesde grief heeft geen zelfstandige betekenis. Omdat de eerste grief slaagt, slaagt deze grief ook.
3.       Wat appellant in de overige grieven aanvoert, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
4.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover zij heeft nagelaten om de minister te veroordelen tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten. De uitspraak van de rechtbank wordt voor het overige bevestigd. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 10 maart 2025 in zaak nr. NL24.34421, voor zover zij heeft nagelaten om de minister van Asiel en Migratie te veroordelen tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten;
III.      bevestigt de uitspraak voor het overige;
IV.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.721,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
V.       gelast dat de minister van Asiel en Migratie aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 476,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Verbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2025
574-1046