202502648/1/V1.
Datum uitspraak: 11 juli 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant A], [appellant B], [appellant C], [appellant D] en [appellant E],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 11 april 2025 in zaak nr. NL25.10537 in het geding tussen:
appellanten
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hun een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen.
Bij uitspraak van 11 april 2025 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd en bepaald dat de minister vóór 1 april 2026 alsnog een besluit op de aanvraag bekendmaakt en dat de minister aan appellanten een dwangsom verbeurt van € 100,00 voor elke dag dat zij die termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,00.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. J. Oosterhof, advocaat in Heerenveen, hoger beroep ingesteld.
Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben appellanten zich nader uitgelaten.
Overwegingen
1. De griffier heeft appellanten er bij brief van 8 mei 2025 op gewezen dat zij voor het hoger beroep griffierecht moeten betalen. Hun is daarbij verzocht om het griffierecht uiterlijk op 22 mei 2025 te voldoen. Omdat appellanten dit niet hebben gedaan, heeft de griffier hun bij aangetekende brief van 26 mei 2025 laten weten dat het griffierecht uiterlijk 10 juni 2025 op de rekening van de Raad van State moet zijn bijgeschreven of contant moet zijn betaald. In die brief staat ook dat als het griffierecht niet op die datum is ontvangen, het hoger beroep alleen al daarom niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald. De griffier heeft appellanten bij brief van 16 juni 2025 in de gelegenheid gesteld om redenen aan te voeren waarom het hoger beroep toch in behandeling moet worden genomen. Wat appellanten in hun brief van 26 juni 2025 naar voren brengen over het niet halen van de laatste termijn tot en met 10 juni 2025, is geen reden om het hoger beroep toch in behandeling te nemen. Zoals zij zelf erkennen, vallen die omstandigheden binnen hun risicosfeer.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.K. de Keizer, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Keizer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2025
392