Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2025:3167

Raad van State

Datum uitspraak
11 juli 2025
Publicatiedatum
11 juli 2025
Zaaknummer
202502648/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet betalen griffierecht in zaak machtiging voorlopig verblijf

Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank had het beroep gegrond verklaard en de minister opgedragen binnen een termijn alsnog een besluit te nemen, met een dwangsom bij overschrijding.

Tegen dit vonnis hebben appellanten hoger beroep ingesteld. De griffier heeft appellanten herhaaldelijk verzocht het griffierecht te voldoen, met uiterste termijnen en waarschuwingen dat niet-betaling tot niet-ontvankelijkheid kan leiden.

Appellanten hebben het griffierecht niet betaald binnen de gestelde termijnen. Op hun verzoek om alsnog in behandeling te worden genomen is niet ingegaan, omdat de omstandigheden binnen hun risicosfeer vallen.

De Raad van State verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk en bepaalt dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.

Uitspraak

202502648/1/V1.
Datum uitspraak: 11 juli 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant A], [appellant B], [appellant C], [appellant D] en [appellant E],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 11 april 2025 in zaak nr. NL25.10537 in het geding tussen:
appellanten
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hun een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen.
Bij uitspraak van 11 april 2025 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd en bepaald dat de minister vóór 1 april 2026 alsnog een besluit op de aanvraag bekendmaakt en dat de minister aan appellanten een dwangsom verbeurt van € 100,00 voor elke dag dat zij die termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,00.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. J. Oosterhof, advocaat in Heerenveen, hoger beroep ingesteld.
Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben appellanten zich nader uitgelaten.
Overwegingen
1.       De griffier heeft appellanten er bij brief van 8 mei 2025 op gewezen dat zij voor het hoger beroep griffierecht moeten betalen. Hun is daarbij verzocht om het griffierecht uiterlijk op 22 mei 2025 te voldoen. Omdat appellanten dit niet hebben gedaan, heeft de griffier hun bij aangetekende brief van 26 mei 2025 laten weten dat het griffierecht uiterlijk 10 juni 2025 op de rekening van de Raad van State moet zijn bijgeschreven of contant moet zijn betaald. In die brief staat ook dat als het griffierecht niet op die datum is ontvangen, het hoger beroep alleen al daarom niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald. De griffier heeft appellanten bij brief van 16 juni 2025 in de gelegenheid gesteld om redenen aan te voeren waarom het hoger beroep toch in behandeling moet worden genomen. Wat appellanten in hun brief van 26 juni 2025 naar voren brengen over het niet halen van de laatste termijn tot en met 10 juni 2025, is geen reden om het hoger beroep toch in behandeling te nemen. Zoals zij zelf erkennen, vallen die omstandigheden binnen hun risicosfeer.
2.       Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.K. de Keizer, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Keizer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2025
392