ECLI:NL:RVS:2025:3168

Raad van State

Datum uitspraak
14 juli 2025
Publicatiedatum
11 juli 2025
Zaaknummer
202400281/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 16 augustus 2022 een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na een ongegrond verklaard bezwaar door de staatssecretaris op 12 juni 2023, stelde betrokkene beroep in bij de rechtbank. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond wegens een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek en vernietigde het besluit, met de opdracht aan de staatssecretaris een nieuw besluit te nemen.

De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State. De Raad oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe vragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming en dat het motiveringsgebrek eenvoudig kan worden hersteld. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

De minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene en tot betaling van griffierecht. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 14 juli 2025 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

202400281/1/V1.
Datum uitspraak: 14 juli 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 19 december 2023 in zaak nr. NL23.19817 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 16 augustus 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om betrokkene een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 12 juni 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 19 december 2023 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. F.J.E. Hogewind, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Betrokkene heeft nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1.    De rechtbank heeft namelijk een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek geconstateerd. De minister komt daartegen in hoger beroep op terwijl dat gebrek zich, los van de vraag wat de uitkomst van de nieuwe besluitvorming moet zijn, eenvoudig laat herstellen.
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.       veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III.      bepaalt dat van de minister van Asiel en Migratie een griffierecht van € 559,00 wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. J.M. Willems en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Schuurman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2025
282-1046