ECLI:NL:RVS:2025:3193
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H. van Breda
- J.Th. Drop
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf na belangenafweging familie- en gezinsleven
Bij besluit van 14 januari 2021 wees de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf voor betrokkenen af. Na een bezwaarprocedure en een uitspraak van de rechtbank die het beroep ongegrond verklaarde, werd hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Appellanten voerden aan dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de minister het economisch belang van Nederland niet onjuist zwaar had laten wegen in de belangenafweging. De Afdeling overwoog dat de minister het economisch belang moet beoordelen in de context van de persoonlijke omstandigheden van de referent, zoals diens inspanningen om in het levensonderhoud te voorzien.
De Afdeling constateerde dat appellanten geen concrete persoonlijke omstandigheden hadden aangevoerd die aantonen dat de referent alles had gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht mocht worden om inkomen te verkrijgen. De minister had de belangenafweging zorgvuldig gemaakt door het familie- en gezinsleven, de banden met Nederland en het economisch belang tegen elkaar af te wegen.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister werd niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt bevestigd.