ECLI:NL:RVS:2025:3195
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ondeugdelijke belangenafweging
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 21 juli 2021 een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na een ongegrond verklaard bezwaar volgde op 3 mei 2023 een uitspraak van de rechtbank Den Haag die het beroep van appellant tegen deze afwijzing verwierp.
Appellant stelde in hoger beroep dat de minister de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro ondeugdelijk had gemotiveerd, met name waarom het economische belang van Nederland zwaarder zou wegen dan het belang van appellant en referent bij gezinshereniging. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank dit niet had onderkend en dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom de inspanningen van referent, die zelfstandig woont, onderwijs volgt en een bijbaan heeft, niet meewegen in de belangenafweging.
De Afdeling verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is bepaald dat de minister ruimte moet bieden voor flexibiliteit en rekening moet houden met de individuele situatie van de referent, zoals leeftijd en inspanningen om financiële zelfstandigheid te verkrijgen.
Gelet op het ontbreken van een deugdelijke motivering vernietigt de Afdeling de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit van 26 september 2022. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant, zij het zonder griffierechten.
Deze uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige en individuele belangenafweging bij beslissingen over gezinshereniging en het voorlopige verblijf in het kader van het vreemdelingenrecht.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt vernietigd wegens ondeugdelijke belangenafweging.