ECLI:NL:RVS:2025:3205
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake intrekking verblijfsvergunning met terugwerkende kracht
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid trok op 24 oktober 2022 de verblijfsvergunning asiel van betrokkene in met terugwerkende kracht tot 9 april 2020, omdat betrokkene niet meer samenwoonde met haar echtgenoot. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en stelde de intrekkingsdatum vast op 24 oktober 2022, omdat de terugwerkende kracht volgens de rechtbank onevenredig was vanwege financiële gevolgen voor betrokkene.
Zowel betrokkene als de minister gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Raad van State oordeelt dat het hoger beroep van betrokkene ongegrond is, maar dat het hoger beroep van de minister gegrond is. De Afdeling vernietigt het deel van de uitspraak van de rechtbank dat de intrekkingsdatum wijzigt en bevestigt de rest van de uitspraak.
De Raad van State benadrukt dat de minister bij de evenredigheidsbeoordeling van de intrekking met terugwerkende kracht de financiële gevolgen moet betrekken, maar dat de rechtbank onvoldoende gegevens had om de intrekkingsdatum te wijzigen. De minister moet in een nieuw besluit de ingangsdatum opnieuw beoordelen met inachtneming van de overgelegde stukken over de financiële gevolgen. Proceskosten worden niet toegekend.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt het deel van de uitspraak dat de intrekkingsdatum wijzigt en verwijst terug voor herbeoordeling van de ingangsdatum met inachtneming van financiële gevolgen.