ECLI:NL:RVS:2025:3299
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitvoering rechtbankuitspraak inzake afwijzing verblijfsvergunning asiel
De minister van Asiel en Migratie wees op 11 april 2025 een aanvraag van betrokkene om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. Betrokkene stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 20 juni 2025 het beroep gegrond verklaarde, het besluit vernietigde en de minister opdroeg binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en verzocht tegelijkertijd om een voorlopige voorziening bij de Raad van State, zodat zij de uitspraak van de rechtbank niet hoefde uit te voeren totdat het hoger beroep was beslist. Betrokkene stelde incidenteel hoger beroep in en gaf een schriftelijke uiteenzetting.
De voorzieningenrechter oordeelde dat nader onderzoek nodig is voor de beoordeling van de grieven, wat in deze procedure niet goed mogelijk is. Gezien de belangen van beide partijen werd daarom een voorlopige voorziening getroffen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
De voorzieningenrechter bepaalde dat de minister geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank totdat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het hoger beroep heeft beslist.
Uitkomst: De minister hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.