Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2025:3301

Raad van State

Datum uitspraak
18 juli 2025
Publicatiedatum
18 juli 2025
Zaaknummer
202503330/1/V1 en 202503330/2/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 6:9 AwbArt. 92 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing machtiging voorlopig verblijf

Appellant verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf, welke op 14 juni 2024 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd afgewezen. De minister verklaarde het bezwaar op 10 oktober 2024 ongegrond en de rechtbank bevestigde dit op 7 mei 2025 door het beroep ongegrond te verklaren.

Appellant stelde dat het hogerberoepschrift tijdig was ingediend door het per e-mail te verzenden op 3 juni 2025 en tevens per post te versturen. Uit onderzoek bleek echter dat de e-mail niet aankwam vanwege het niet voldoen aan technische vereisten van het Veilig Mailen-systeem van de Raad van State. De poststempel toonde aan dat het schrift pas op 5 juni 2025 werd verzonden, na afloop van de termijn op 4 juni 2025.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat appellant, als professionele rechtsbijstandsverlener, op de hoogte had kunnen zijn van de vereisten en dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was. Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.

Uitspraak

202503330/1/V1 en 202503330/2/V1.
Datum uitspraak: 18 juli 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht; hierna de Awb) en, met toepassing van artikel 92 van Pro de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 7 mei 2025 in zaak nr. 24/17891 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 14 juni 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om appellant een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 10 oktober 2024 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 7 mei 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.M. van der Marel, advocaat in Eindhoven, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft appellant zich nader uitgelaten.
Overwegingen
1.       De termijn voor het instellen van hoger beroep eindigde op 4 juni 2025. Het hogerberoepschrift is per post op 11 juni 2025 bij de Raad van State binnengekomen. Appellant stelt dat hij het hogerberoepschrift op 3 juni 2025 naar de Raad van State heeft gemaild. Ter onderbouwing hiervan heeft hij een e-mail van 3 juni 2025 om 19:46 uur gericht aan bestuursrechtspraak.veiligmailen@raadvanstate.nl overgelegd. Verder stelt appellant dat hij het hogerberoepschrift op dezelfde dag op de post heeft gedaan. Omdat het hogerberoepschrift binnen één week na afloop van de hogerberoepstermijn per post bij de Raad van State is binnengekomen, heeft hij het hogerberoepschrift op tijd ingediend, aldus appellant.
2.       Uit de e-mail die appellant heeft overgelegd, blijkt weliswaar dat hij deze op 3 juni 2025 heeft verzonden, maar na intern onderzoek is gebleken dat de e-mail nooit bij de Raad van State is aangekomen, omdat de e-mail is tegengehouden, omdat deze niet voldoet aan de technische vereisten die de Raad van State stelt aan het gebruik van het Veilig Mailen-principe via de eigen e-mailomgeving. Uit de informatie op de website van de Raad van State volgt dat eerdergenoemd e-mailadres alleen kan worden gebruikt door verzenders die een speciaal Veilig Mailen-softwarepakket hebben. Verder staat op de website dat een appellant bij het rechtstreeks Veilig Mailen met de Raad van State geen ontvangstbevestiging krijgt, maar de oplossing voor Veilig Mailen zo kan worden ingesteld dat deze ook de succesvolle aflevering bij de Raad van State toont. Appellant, althans zijn gemachtigde als professionele rechtsbijstandsverlener, had hiervan op de hoogte kunnen zijn en zij hebben niet gesteld over eerdergenoemd softwarepakket te beschikken. Verder wijst de Afdeling erop dat de gemachtigde ook de mogelijkheid heeft om via Veilig Mailen met een webformulier hoger beroep in te stellen, als de gemachtigde niet beschikt over een Veilig Mailen-oplossing die aan de technische vereisten voldoet. Bij gebruikmaking van dit webformulier volgt wel een ontvangstbevestiging.
Uit de poststempel op de envelop blijkt verder dat appellant het hogerberoepschrift op 5 juni 2025 op de post heeft gedaan. Appellant heeft niet met stukken onderbouwd dat hij het hogerberoepschrift op 3 juni 2025 op de post heeft gedaan. Omdat het hogerberoepschrift na het eindigen van de hogerberoepstermijn op de post is gedaan, is het hogerberoepschrift niet op tijd ingediend. De Afdeling wijst op artikel 6:9, tweede lid, van de Awb.
Wat appellant verder aanvoert, geeft geen aanleiding om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. De enkele niet gespecificeerde verwijzing naar de betrokken belangen en de minimale termijnoverschrijding, is daarvoor onvoldoende.
3.       Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II.       wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.
w.g. Sevenster
voorzieningenrechter
w.g. Boon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2025
977