ECLI:NL:RVS:2025:3311
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek voorlopige voorziening in hoger beroep verblijfsvergunning
Verzoeker heeft op 4 januari 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke is afgewezen door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Hiertegen maakte verzoeker bezwaar bij de minister, dat op 18 november 2024 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank, die op 9 april 2025 het beroep ongegrond verklaarde. Verzoeker stelde hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De griffier wees verzoeker op 9 mei 2025 erop dat griffierecht betaald moest worden uiterlijk 16 mei 2025, met de waarschuwing dat bij niet-betaling het verzoek niet-ontvankelijk zou worden verklaard. Verzoeker betaalde het griffierecht niet en voerde op 19 mei 2025 betalingsonmacht aan, maar leverde geen tijdige stukken ter onderbouwing.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk is wegens niet-betaling van het griffierecht en wees het verzoek af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd op 21 juli 2025 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.