ECLI:NL:RVS:2025:3313
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in hoger beroep verblijfsvergunning
Verzoeker heeft op 31 juli 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. Hiertegen maakte verzoeker bezwaar, dat op 14 januari 2025 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank, die op 16 april 2025 het beroep ongegrond verklaarde.
Verzoeker stelde daarna hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft beoordeeld of er sprake was van een spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening.
Uit de overwegingen blijkt dat het verzoek niet spoedeisend was, waardoor het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan op 21 juli 2025 door voorzieningenrechter H.G. Sevenster.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.