ECLI:NL:RVS:2025:3328
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek voorlopige voorziening in hoger beroep verblijfsvergunning
Verzoeker had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 1 februari 2024 werd afgewezen. Hiertegen maakte verzoeker bezwaar, dat door de minister op 27 februari 2025 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank, die op 16 april 2025 het beroep ongegrond verklaarde.
Verzoeker stelde hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen. De griffier wees verzoeker bij brief van 8 mei 2025 op de verplichting tot betaling van griffierecht, met een uiterste betaaldatum van 15 mei 2025. Verzoeker betaalde het griffierecht niet en gaf op 19 mei 2025 een beroep op betalingsonmacht aan, maar leverde geen tijdige onderbouwing.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk is wegens het niet voldoen aan de griffierechtverplichting. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Het verzoek is derhalve afgewezen zonder inhoudelijke behandeling.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van griffierecht.