ECLI:NL:RVS:2025:3336

Raad van State

Datum uitspraak
21 juli 2025
Publicatiedatum
21 juli 2025
Zaaknummer
202404366/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel op basis van geloofsvervolging

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van een appellant met de Iraakse nationaliteit, die een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft aangevraagd. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft deze aanvraag op 23 augustus 2023 afgewezen, omdat hij de geloofwaardigheid van de vrees voor vervolging bij terugkeer naar Irak niet heeft erkend. De rechtbank Den Haag heeft op 9 juli 2024 het beroep van de appellant gegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris vernietigd, maar de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten. De rechtbank oordeelde dat de minister niet voldoende had onderbouwd dat de appellant bij terugkeer naar Irak niet te vrezen had voor vervolging vanwege zijn bekering tot het christendom.

In hoger beroep heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten. De Afdeling stelde vast dat de rechtbank niet voldoende gelegenheid heeft gegeven aan partijen om zich uit te laten over de argumenten die zij had gebruikt voor haar beslissing. De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank voor zover de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten en oordeelde dat de minister een nieuw besluit moet nemen, rekening houdend met de uitspraak van de Afdeling. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de appellant.

Uitspraak

202404366/1/V2.
Datum uitspraak: 21 juli 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 9 juli 2024 in zaak nr. NL23.24787 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 23 augustus 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 9 juli 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. F. Boone, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Appellant heeft de Iraakse nationaliteit. Hij heeft aan zijn opvolgende asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij vreest voor problemen bij terugkeer, omdat hij zich heeft afgewend van de islam en is bekeerd tot het christendom. De minister heeft dit niet geloofwaardig geacht en de aanvraag daarom afgewezen. De rechtbank heeft overwogen dat de minister die afwijzing op onjuiste gronden heeft gebaseerd. Volgens de rechtbank is namelijk bepalend of er objectieve omstandigheden zijn die maken dat appellant bij terugkeer te vrezen heeft voor vervolging vanwege de godsdienst die hij aanhangt of waarvan de autoriteiten kunnen menen dat hij die aanhangt, en niet of er sprake is van een oprechte bekering. De rechtbank heeft daarom het besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb vernietigd. De minister is hiertegen niet in hoger beroep gekomen, zodat de Afdeling van dit oordeel van de rechtbank uitgaat.
2.       Appellant klaagt in zijn enige grief terecht dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 22 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9003) is een voorwaarde voor toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb dat partijen zich daarover in voldoende mate hebben kunnen uitlaten. Dat is in dit geval niet gebeurd. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten, omdat niet aannemelijk is dat appellant bij terugkeer naar Irak om religieuze redenen te vrezen heeft voor vervolging. Behalve naar de eigen verklaringen van appellant, heeft de rechtbank daarbij verwezen naar passages uit het Algemeen ambtsbericht Irak van 2023 en naar de brief van de minister aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 27 mei 2024, nr. 3242, over een wijziging van het landenbeleid voor Irak. Deze argumenten heeft de minister niet in de besluitvormingsfase en ook niet in de beroepsfase kenbaar als haar standpunt naar voren gebracht. Ter zitting heeft de rechtbank de argumenten die zij heeft gebruikt voor de motivering van haar beslissing om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten niet aan de orde gesteld, zodat appellant en de minister er zich toen niet over hebben kunnen uitlaten. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de brief van 27 mei 2024 dateert van na de zitting van 21 mei 2024 bij de rechtbank. Er bestond ook verder geen aanleiding voor partijen om zich daarover uit te laten. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen in stand gelaten. Appellant betoogt in hoger beroep dat de rechtbank zelf in de zaak had moeten voorzien. Maar om dezelfde reden waarom zij in dit geval niet de rechtsgevolgen in stand kon laten, had zij ook niet zelf in de zaak kunnen voorzien. De grief slaagt.
3.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 23 augustus 2023 in stand zijn gelaten. Dit betekent dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 9 juli 2024 in zaak nr. NL23.24787, voor zover de rechtsgevolgen van het besluit van 23 augustus 2023 in stand zijn gelaten;
III.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij
appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Prins
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2025
363-1003