Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2025:3370

Raad van State

Datum uitspraak
23 juli 2025
Publicatiedatum
23 juli 2025
Zaaknummer
202501967/3/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J. Schipper-Spanninga
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd

Verzoekers, waaronder minderjarige kinderen, hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om hun verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in te trekken. Na een eerdere vernietiging van het besluit door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, heeft de minister het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Verzoekers zijn hiertegen in beroep gegaan en hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het verzoek beoordeeld en vastgesteld dat er geen sprake is van een spoedeisend belang dat het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt. Daarom is het verzoek afgewezen. Tevens is bepaald dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden.

De uitspraak is gedaan in het openbaar op 23 juli 2025 door voorzieningenrechter J. Schipper-Spanninga, in aanwezigheid van griffier J.W. Prins. Hiermee blijft de intrekking van de verblijfsvergunning van kracht zolang het hoger beroep loopt.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

202501967/3/V2.
Datum uitspraak: 23 juli 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker 1] en [verzoeker 2], mede voor hun minderjarige kinderen,
verzoekers,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 6 maart 2025 in zaak nr. NL24.276 in het geding tussen:
verzoekers
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 26 november 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan verzoekers verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken.
Bij besluit van 6 december 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door verzoekers gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 6 maart 2025 heeft de rechtbank het daartegen door verzoekers ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak hebben verzoekers hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 27 maart 2025 heeft de minister het tegen het besluit van 26 november 2019 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Verzoekers hebben daartegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroepschrift en het verzoekschrift ter behandeling aan de Afdeling doorgezonden.
Overwegingen
1.       Uit het verzoek blijkt niet van een spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening.
2.       Het verzoek wordt afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J. Schipper-Spanninga, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.
w.g. Schipper-Spanninga
voorzieningenrechter
w.g. Prins
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2025
853-1113