ECLI:NL:RVS:2025:3377
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdverklaring hoger beroep tegen voortduren vrijheidsontnemende maatregel vreemdelingenrecht
De minister van Asiel en Migratie legde op 18 november 2024 een vrijheidsontnemende maatregel op aan appellant. Appellant stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel, maar de rechtbank verklaarde dit beroep op 17 juni 2025 ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Raad van State overweegt dat het hoger beroep tegen het voortduren van een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 84 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 niet is toegestaan. Het verbod op hoger beroep kan slechts worden doorbroken indien sprake is van een schending van het recht op een eerlijk proces, hetgeen hier niet aan de orde is. De door appellant aangevoerde overschrijding van de uitspraaktermijn en inhoudelijke bezwaren zijn onvoldoende om het appelverbod te doorbreken.
De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich daarom onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen en beslist dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden. Hiermee wordt het hoger beroep afgewezen op grond van onbevoegdheid.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel.