ECLI:NL:RVS:2025:3471
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen vernietiging besluit machtiging voorlopig verblijf
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 8 december 2020 een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Hiertegen maakte betrokkene bezwaar, dat op 3 juni 2021 ongegrond werd verklaard, met een aanvullende motivering op 28 december 2022. De rechtbank verklaarde op 2 november 2023 het beroep van betrokkene gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de staatssecretaris binnen acht weken een nieuw besluit moet nemen.
De minister stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat de uitspraak van de rechtbank niet uitgevoerd hoeft te worden zolang het hoger beroep loopt. Betrokkene gaf een schriftelijke reactie.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de belangen van beide partijen afgewogen en dat geen voorlopige voorziening wordt getroffen. Het verzoek van de minister wordt afgewezen en hij wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene, bestaande uit kosten van rechtsbijstand door een derde.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de minister wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.