Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2025:3508

Raad van State

Datum uitspraak
28 juli 2025
Publicatiedatum
28 juli 2025
Zaaknummer
202403443/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M. den Heyer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:78 AwbArt. 94 Vw 2000Art. 106 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank wegens overschrijding wettelijke termijn in vreemdelingenbewaring

Bij besluit van 21 april 2024 legde de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid appellant een vrijheidsontnemende maatregel op. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze maatregel op 4 juni 2024 ongegrond. Appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State.

De kern van het geschil betreft de overschrijding van de wettelijke termijn van zeven dagen voor het doen van uitspraak na sluiting van het onderzoek in bewaringszaken, zoals voorgeschreven in artikel 94, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en artikel 8:78 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank had niet binnen deze termijn uitspraak gedaan, wat leidt tot onrechtmatigheid van de bewaring vanaf de dag na het verstrijken van de termijn.

De Raad van State constateerde dat de rechtbank geen bijzondere omstandigheden kon aanvoeren die de overschrijding rechtvaardigen. Daarom werd de overschrijding als onrechtmatig beoordeeld, het hoger beroep gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd. Omdat de bewaring inmiddels was opgeheven, was een bevel tot opheffing niet nodig. Appellant kreeg een schadevergoeding toegekend en de minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: De Raad van State vernietigt de uitspraak van de rechtbank wegens overschrijding van de wettelijke termijn en kent appellant een schadevergoeding toe.

Uitspraak

202403443/1/V3.
Datum uitspraak: 28 juli 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 4 juni 2024 in zaak nr. NL24.20272 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 21 april 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 4 juni 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. H. Loth, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1.       Appellant klaagt in zijn enige grief dat de rechtbank niet binnen de wettelijke termijn uitspraak heeft gedaan.
1.1.    Gelet op artikel 94, vijfde lid, van de Vw 2000 wordt in bewarings- en grensdetentiezaken uitspraak gedaan binnen zeven dagen na de sluiting van het onderzoek. Een uitspraak is pas binnen zeven dagen gedaan als dat ook in het openbaar is gebeurd. Dat volgt uit artikel 8:78 van Pro de Awb. Als de termijn van zeven dagen wordt overschreden, dan leidt dat tot onrechtmatigheid van de bewaring, vanaf de dag nadat de termijn voor het doen van de uitspraak was geëindigd. Dat is alleen anders als er sprake was van feiten en omstandigheden die een overschrijding van de termijn kunnen rechtvaardigen. Dat heeft de Afdeling overwogen in haar uitspraak van 29 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4321, onder 1.1.
1.2.    In dit geval is het onderzoek op de zitting van 27 mei 2024 gesloten. Maar onder de uitspraak van de rechtbank staat dat deze in het openbaar is uitgesproken en is bekendgemaakt op 4 juni 2024. De rechtbank heeft dus niet binnen de termijn van zeven dagen uitspraak gedaan.
1.3.    De Afdeling heeft de rechtbank daarom verzocht de overschrijding van de termijn te verklaren. De rechtbank heeft voor de overschrijding geen verklaring kunnen geven. De Afdeling is daarom niet gebleken van een bijzondere omstandigheid die een schending van de termijn rechtvaardigt. De grief slaagt daarom.
2.       De Afdeling ziet ambtshalve geen reden om de bewaring al vanaf een eerdere datum onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond. Omdat de maatregel van bewaring al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. Appellant heeft wel recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). Deze vergoeding wordt daarom aan appellant toegekend. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 4 juni 2024 in zaak nr. NL24.20272;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.     kent aan appellant een vergoeding toe van € 300,00 over de periode van 4 juni 2024 tot en met 6 juni 2024, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;
V.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.721,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Nouta, griffier.
w.g. Den Heyer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Nouta
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2025
922