202402616/1/V1.
Datum uitspraak: 28 juli 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 4 april 2024 in zaak nr. NL23.21621 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 3 juli 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 4 april 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. L.J. Meijering, advocaat in Assen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Inleiding
1. Betrokkene heeft de Afghaanse nationaliteit en is geboren in 1999. Hij is in 2021 uit Afghanistan vertrokken en verblijft sinds augustus 2022 in Nederland. Hij heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij negen jaar een buitenechtelijke relatie heeft gehad met zijn nicht, nadat zijn familie zijn huwelijksaanzoek aan haar had afgewezen. De broer van zijn nicht heeft hem toen betrapt met zijn nicht. Daarnaast stelt betrokkene dat de Taliban hem als afvallige zullen zien door de wijze waarop hij de islam praktiseert, zijn verwestering en verblijf in het Westen.
1.1. De minister heeft zijn asielaanvraag afgewezen als ongegrond, omdat zij betrokkene op basis van zijn religie, etnische afkomst en herkomst niet rekent tot een risicogroep. Volgens de minister is niet gebleken dat aan de gestelde verwestering een politieke overtuiging of geloofsverandering ten grondslag ligt. De minister heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat betrokkene geen gegronde vrees voor vervolging heeft en dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. De minister heeft het individuele asielrelaas over de buitenechtelijke relatie van betrokkene ongeloofwaardig geacht.
De uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene gegrond verklaard, omdat uit de door de minister geraadpleegde bronnen niet duidelijk wordt of betrokkene risico loopt bij terugkeer vanuit Europa naar Afghanistan en, zo ja, welk risico. De minister heeft daarom naar het oordeel van de rechtbank ondeugdelijk gemotiveerd dat niet aannemelijk is dat betrokkene bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade zal lopen.
Hoger beroep van de minister
3. De enige grief is gericht tegen het hiervoor weergegeven oordeel van de rechtbank. De minister betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat niet aannemelijk is dat betrokkene bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade zal lopen, omdat uit de geraadpleegde bronnen niet duidelijk wordt of betrokkene risico loopt bij terugkeer vanuit Europa en, zo ja, welk risico. De minister betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister in haar besluitvorming onder verwijzing naar gezaghebbende bronnen uitvoerig en op individueel niveau heeft gemotiveerd waarom betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Afghanistan. Het is volgens de minister aan betrokkene om aannemelijk te maken dat hij in de negatieve aandacht van de Taliban komt te staan bij terugkeer, in dit geval alleen vanwege terugkeer uit het Westen.
Het oordeel van de Afdeling
3.1. In de uitspraak van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4648, onder 12 tot en met 12.2, heeft de Afdeling geoordeeld dat uit informatie uit openbare bronnen niet volgt dat vreemdelingen die in een westers land hebben verbleven, alleen al om die reden een reëel risico op ernstige schade lopen als zij vrijwillig terugkeren naar Afghanistan. Vreemdelingen die vrijwillig terugkeren naar Afghanistan na een verblijf in het Westen, zijn daarom niet aan te merken als groep die een reëel risico op ernstige schade loopt. De minister betoogt terecht dat zij geen nader onderzoek hoeft te doen naar de risico’s voor Afghaanse vreemdelingen die terugkeren uit Europa. De grief slaagt. 4. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn die nog bespreking behoeven en de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat betrokkene met de door hem naar voren gebrachte omstandigheden niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico op ernstige schade loopt, is het beroep alsnog ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 4 april 2024 in zaak nr. NL23.21621;
III. verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
w.g. Den Heyer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Verbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2025
941-1118