ECLI:NL:RVS:2025:3523
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel in hoger beroep
Op 4 september 2024 wees de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvraag van appellant voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. Appellant stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 26 juni 2025 het beroep ongegrond verklaarde. Tegen deze uitspraak stelde appellant hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het hoger beroep niet leidt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, aangezien deze terecht en op goede gronden tot haar oordeel was gekomen. De motivering van de rechtbank werd overgenomen, en het hogerberoepschrift bevatte geen vragen die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd op 29 juli 2025 in het openbaar uitgesproken door voorzieningenrechter J.H. van Breda in aanwezigheid van griffier R.D. Salverda.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.