ECLI:NL:RVS:2025:3530

Raad van State

Datum uitspraak
31 juli 2025
Publicatiedatum
29 juli 2025
Zaaknummer
BRS.25.000232
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • B.P. Vermeulen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vw 2000Art. 8:54 AwbArt. 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing niet in behandeling nemen aanvraag verblijfsvergunning en uitstel van vertrek

Appellant heeft op 5 februari 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en een verzoek om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft deze aanvragen niet in behandeling genomen en het bezwaar van appellant tegen deze beslissing op 11 juni 2024 ongegrond verklaard.

Appellant heeft vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, die op 31 januari 2025 het beroep ongegrond verklaarde. Tegen deze uitspraak is hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De motivering van de rechtbank wordt overgenomen en het hoger beroep bevatte geen vragen die een nadere motivering vereisten. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer van de Raad van State op 31 juli 2025.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

BRS.25.000232
Datum uitspraak: 31 juli 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 31 januari 2025 in zaak nr. NL24.27157 in het geding tussen:
appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 5 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen en een aanvraag om haar krachtens artikel 64 van Pro de Vw 2000 uitstel van vertrek te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij besluit van 11 juni 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 31 januari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. E. Derksen, advocaat in Velp, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 5.1 van de uitspraak van de rechtbank over.
1.1.        Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.        Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B.P. Vermeulen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.
w.g. Vermeulen
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Prins
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2025
853-1163