ECLI:NL:RVS:2025:3545
Raad van State
- Hoger beroep
- J.F. de Groot
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing handhavingsverzoek geiten- en rundveehouderij wegens niet-bescherming belangen appellant
Appellant verzocht het college van gedeputeerde staten van Fryslân om handhavend op te treden tegen een geiten- en rundveehouderij vanwege een vermeende overtreding van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming. Het college wees dit verzoek af omdat er concreet zicht op legalisatie bestond, mede doordat een ontwerpbesluit tot verlening van een natuurvergunning ter inzage was gelegd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat de ingeroepen norm niet strekte tot bescherming van zijn belangen, waardoor het relativiteitsvereiste uit artikel 8:69a van de Awb verhinderde dat appellant zich op die norm kon beroepen. Tevens werd het verzoek om een schadevergoeding van € 6.000.000,- afgewezen vanwege onbevoegdheid, omdat bestuursrechterlijke bevoegdheid beperkt is tot € 25.000,-.
In hoger beroep betoogde appellant dat het relativiteitsvereiste en de beperking van de bestuursrechterlijke bevoegdheid in strijd zijn met het EVRM en de Awb. De Raad van State verwierp deze betogen, stellende dat het recht op toegang tot de rechter niet in zijn kern wordt aangetast en dat civiele rechter bevoegd is voor hogere schadevergoedingen.
Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd eveneens afgewezen, omdat de procedure nog geen vier jaar duurde, wat als redelijk wordt beschouwd. De Afdeling bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is afgewezen.