ECLI:NL:RVS:2025:3599

Raad van State

Datum uitspraak
1 augustus 2025
Publicatiedatum
30 juli 2025
Zaaknummer
BRS.25.000834
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:78 AwbArt. 94 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging rechtmatigheid bewaring na tijdige uitspraak rechtbank

De minister van Asiel en Migratie stelde appellant op 30 mei 2025 in bewaring. Appellant voerde beroep aan tegen deze bewaring bij de rechtbank Den Haag, die op 4 juli 2025 het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees. Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Appellant betoogde dat de rechtbank niet binnen de wettelijke termijn van zeven dagen na sluiting van het onderzoek uitspraak had gedaan, wat de rechtmatigheid van de bewaring zou aantasten. De Afdeling stelde vast dat het onderzoek op 24 juni 2025 was gesloten en dat de uitspraak conform artikel 8:78 van Pro de Awb op 1 juli 2025 was gedaan, ondanks dat de uitspraak in het dossier pas op 4 juli 2025 was geüpload door interne fouten bij de rechtbank.

De Afdeling oordeelde dat deze administratieve onvolkomenheid niet leidt tot onrechtmatigheid van de bewaring en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bewaring blijft rechtmatig.

Uitspraak

BRS.25.000834
Datum uitspraak: 1 augustus 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, gedateerd 4 juli 2025 in zaak nr. NL25.26254 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 30 mei 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak gedateerd 4 juli 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. B. Snoeij, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Op verzoek van de Afdeling heeft de rechtbank schriftelijke inlichtingen gegeven. Appellant heeft daarop gereageerd.
Overwegingen
1.        In zijn enige grief betoogt appellant dat de rechtbank niet binnen de bij artikel 94, vijfde lid, van de Vw 2000 gestelde termijn van zeven dagen na sluiting van het onderzoek uitspraak heeft gedaan en dat dit gevolgen heeft voor de rechtmatigheid van de bewaring.
2.        De Afdeling stelt vast dat de rechtbank het onderzoek ter zitting op 24 juni 2025 heeft gesloten. De laatste dag van de termijn voor het doen van uitspraak was daarom 1 juli 2025. In de uitspraak staat dat deze op 4 juli 2025 is uitgesproken in het openbaar. Op verzoek van de Afdeling heeft de rechtbank het proces-verbaal van de openbaarmakingszitting in de zaak van appellant overgelegd. Dat proces-verbaal is gedateerd op 1 juli 2025 en daaraan is een e-mailwisseling gehecht van die datum over zaken waarin die middag nog uitspraak moet worden gedaan. Daarbij staat ook de zaak van appellant. Hieruit blijkt dat de uitspraak in de zaak van appellant conform artikel 8:78 van Pro de Awb op 1 juli 2025 is uitgesproken. Dat door interne onvolkomenheden bij de rechtbank het niet goed is gegaan met het uploaden van de uitspraak in het dossier en er uiteindelijk een uitspraak is met de datum van 4 juli 2025, is hoogst ongelukkig en voor appellant verwarrend, maar dat doet er niet aan af dat de uitspraak binnen de termijn is gedaan. De grief slaagt daarom niet.
3.        De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.
w.g. de Moor-van Vugt
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Dallinga
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2025
18-1137