ECLI:NL:RVS:2025:3599
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtmatigheid bewaring na tijdige uitspraak rechtbank
De minister van Asiel en Migratie stelde appellant op 30 mei 2025 in bewaring. Appellant voerde beroep aan tegen deze bewaring bij de rechtbank Den Haag, die op 4 juli 2025 het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees. Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Appellant betoogde dat de rechtbank niet binnen de wettelijke termijn van zeven dagen na sluiting van het onderzoek uitspraak had gedaan, wat de rechtmatigheid van de bewaring zou aantasten. De Afdeling stelde vast dat het onderzoek op 24 juni 2025 was gesloten en dat de uitspraak conform artikel 8:78 van Pro de Awb op 1 juli 2025 was gedaan, ondanks dat de uitspraak in het dossier pas op 4 juli 2025 was geüpload door interne fouten bij de rechtbank.
De Afdeling oordeelde dat deze administratieve onvolkomenheid niet leidt tot onrechtmatigheid van de bewaring en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bewaring blijft rechtmatig.