ECLI:NL:RVS:2025:3606

Raad van State

Datum uitspraak
1 augustus 2025
Publicatiedatum
30 juli 2025
Zaaknummer
BRS.25.000812
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Vw 2000Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitspraak rechtbank inzake rechtmatig verblijf gemeenschapsonderdaan

Betrokkene had bij de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid meerdere keren een aanvraag ingediend voor een document dat rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan bevestigt. Deze aanvragen werden op 24 maart 2019 en 1 december 2022 afgewezen, en de daaropvolgende bezwaren werden op 20 december 2023 ongegrond verklaard. De rechtbank Den Haag verklaarde op 5 juni 2025 de beroepen van betrokkene gegrond, vernietigde de besluiten en bepaalde dat de minister binnen zestien weken een nieuw besluit moest nemen.

De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening om uitvoering van de uitspraak van de rechtbank op te schorten. De voorzieningenrechter oordeelde dat de beoordeling van de grieven nader onderzoek vereist en dat de procedure zich niet leent voor een inhoudelijke beoordeling op dit moment.

Daarom werd de voorlopige voorziening getroffen dat de minister niet hoeft te voldoen aan de uitspraak van de rechtbank totdat het hoger beroep is beslist. Tevens werd bepaald dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak werd gedaan op 1 augustus 2025.

Uitkomst: De minister hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.

Uitspraak

BRS.25.000812
Datum uitspraak: 1 augustus 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 5 juni 2025 in zaken nrs. 23/15019 en 24/78 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluiten van 24 maart 2019 en 1 december 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen van betrokkene om afgifte van een document als bedoeld artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.
Bij besluiten van 20 december 2023 heeft de staatssecretaris de daartegen door betrokkene gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 5 juni 2025 heeft de rechtbank de daartegen door betrokkene ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de minister binnen zestien weken na de dag van verzending van de uitspraak met inachtneming ervan een nieuw besluit op de gemaakte bezwaren neemt.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. P.B. Weenink, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.        De minister verzoekt de voorzieningenrechter om de voorlopige voorziening te treffen dat zij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op haar hoger beroep heeft beslist.
2.        De beoordeling van de grieven vergt nader onderzoek, waarvoor deze procedure zich niet goed leent. Daarom en gelet op de belangen die de minister en betrokkene naar voren hebben gebracht, treft hij een voorlopige voorziening.
3.        De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister van Asiel en Migratie geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt
voorzieningenrechter
w.g. Pronk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2025
1028