ECLI:NL:RVS:2025:3679
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing uitkering Schadefonds Geweldsmisdrijven wegens onvoldoende bewijs huiselijk geweld
Appellante heeft een aanvraag ingediend voor een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven, omdat zij slachtoffer en getuige was van ernstig huiselijk geweld. De Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) wees de aanvraag af wegens gebrek aan objectieve aanwijzingen en handhaafde dit besluit na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het huiselijk geweld ook na haar geboorte had plaatsgevonden.
In hoger beroep herhaalde appellante haar eerdere gronden, maar gaf geen nieuwe redenen waarom de beoordeling van de rechtbank onjuist zou zijn. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank en benadrukt dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt slachtoffer te zijn geworden in de periode na haar geboorte, ondanks dat haar moeder en broer wel een uitkering ontvingen voor geweld in eerdere perioden.
De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de eerdere uitspraak. Er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend aan appellante.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond; afwijzing uitkering Schadefonds Geweldsmisdrijven bevestigd wegens onvoldoende bewijs huiselijk geweld na geboorte.