ECLI:NL:RVS:2025:37
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet tijdig besluit op bezwaar en vergoeding verletkosten
Appellant, eigenaar van een pand te Utrecht, verzocht het college handhavend op te treden tegen sloopwerkzaamheden in een naburig pand. Na afwijzing van dit verzoek maakte appellant bezwaar en stelde meerdere keren beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep deels niet-ontvankelijk wegens vermeend gebrek aan procesbelang, maar dit oordeel werd in verzet en hoger beroep betwist.
De Afdeling oordeelt dat het hoger beroep ontvankelijk is en dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het procesbelang vervalt zodra het college alsnog een besluit neemt. Appellant had echter recht op een hogere vergoeding van zijn verletkosten, omdat de rechtbank ten onrechte het minimumtarief hanteerde terwijl appellant voldoende bewijs leverde van zijn hogere uurtarief.
De Afdeling vernietigt daarom het deel van de uitspraak dat de vergoeding van verletkosten beperkt tot € 36,00 en veroordeelt het college tot een aanvullende vergoeding van € 441,00. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen omdat de procedure nog geen vier jaar duurde. Verder worden proceskosten in hoger beroep aan appellant toegekend, inclusief vergoeding van griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het college wordt veroordeeld tot aanvullende vergoeding van verletkosten en proceskosten; het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn wordt afgewezen.