ECLI:NL:RVS:2025:3737

Raad van State

Datum uitspraak
7 augustus 2025
Publicatiedatum
7 augustus 2025
Zaaknummer
202503604/2/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:26 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening inzake beëindiging opvang in Landelijke Vreemdelingenvoorziening

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid beëindigde de opvang van betrokkene in de Landelijke Vreemdelingenvoorziening per 23 januari 2024. Betrokkene maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door de staatssecretaris ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit, waarbij de minister werd opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen.

De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en verzocht tegelijkertijd om een voorlopige voorziening om te voorkomen dat zij een nieuw besluit op bezwaar moet nemen voordat het hoger beroep is beslist. De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft dit verzoek toegewezen, mede gelet op de belangen van partijen.

De voorzieningenrechter bepaalde dat de minister geen nieuw besluit op bezwaar hoeft te nemen totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist. Tevens werd bepaald dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam werd als partij in de procedure betrokken en heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Uitkomst: De minister hoeft geen nieuw besluit op bezwaar te nemen totdat het hoger beroep is beslist.

Uitspraak

202503604/2/V1.
Datum uitspraak: 7 augustus 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 26 mei 2025 in zaak nr. 24/9772 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij formulier gedateerd op 23 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid betrokkene geïnformeerd dat hij de opvang in de Landelijke Vreemdelingenvoorziening per 23 januari 2024 beëindigt.
Bij besluit van 27 mei 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 26 mei 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Betrokkene heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, dat de Afdeling krachtens artikel 8:26 van Pro de Awb in de gelegenheid heeft gesteld om als partij aan het geding deel te nemen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.       De minister verzoekt de voorzieningenrechter om de voorlopige voorziening te treffen dat zij geen nieuw besluit op bezwaar hoeft te nemen totdat de Afdeling op haar hoger beroep heeft beslist.
2.       Gelet op de belangen die partijen naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.
3.       De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister van Asiel en Migratie geen nieuw besluit op bezwaar hoeft te nemen voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
w.g. Van Breda
voorzieningenrechter
w.g. Verbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2025
574-1118