202306165/1/V3.
Datum uitspraak: 12 augustus 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
1. de minister van Asiel en Migratie,
2. [appellant],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 21 september 2023 in zaak nr. NL23.14640 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 9 mei 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 21 september 2023 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. M.B. van den Toorn-Volkers, advocaat in Made, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Het hoger beroep van de minister
1. De minister komt in grief 3 terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat zij niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn Keniaanse paspoort op frauduleuze wijze is verkregen. In de uitspraak van 14 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1071, onder 4, heeft de Afdeling uiteengezet wat van een vreemdeling mag worden verwacht om aannemelijk te maken dat een paspoort op frauduleuze wijze is verkregen. Uit het dossier blijkt niet dat betrokkene dat in lijn met de in die uitspraak gestelde eisen aannemelijk heeft gemaakt. 1.1. De grief slaagt.
Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van betrokkene
2. Betrokkene komt in zijn enige grief op tegen het oordeel van de rechtbank over de bewijswaarde van de door hem overgelegde Ethiopische identiteitskaarten van zijn gestelde ouders en het voedseldistributieboekje van zijn gestelde moeder. Gelet op wat de Afdeling onder 1 heeft overwogen, kan deze grief niet leiden tot het beoogde doel. Ook als wordt aangenomen dat deze documenten inderdaad van de ouders van betrokkene zijn, betekent dat namelijk niet dat de minister er niet van mag uitgaan dat betrokkene de Keniaanse nationaliteit heeft.
2.1. Alleen al daarom slaagt de grief niet.
Conclusie
3. Het hoger beroep van de minister is gegrond. Het is niet nodig wat de minister verder heeft aangevoerd te bespreken. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van betrokkene is ongegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist, is het beroep alsnog ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 21 september 2023 in zaak nr. NL23.14640;
III. verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Kraak, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Kraak
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2025
1020