ECLI:NL:RVS:2025:3809
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening afgewezen in zaak verblijfsvergunning regulier
Verzoeker heeft een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke op 6 juni 2024 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. Hiertegen maakte verzoeker bezwaar dat op 12 maart 2025 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 24 juni 2025 het beroep ongegrond verklaarde.
Verzoeker stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tegelijkertijd om een voorlopige voorziening te treffen. De griffier wees verzoeker bij brief van 22 juli 2025 erop dat het griffierecht voor het verzoek om voorlopige voorziening uiterlijk op 29 juli 2025 moest worden betaald, met de waarschuwing dat bij niet-betaling het verzoek niet-ontvankelijk zou worden verklaard.
Verzoeker heeft het griffierecht niet betaald binnen de gestelde termijn. De voorzieningenrechter verklaart daarom het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk en bepaalt dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak is gedaan op 13 augustus 2025 door voorzieningenrechter C.M. Wissels.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van griffierecht.