ECLI:NL:RVS:2025:3811

Raad van State

Datum uitspraak
14 augustus 2025
Publicatiedatum
13 augustus 2025
Zaaknummer
202504236/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.Th. Drop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging proceskostenveroordeling in hoger beroep tegen vertrekbesluit EU

Appellant werd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten bij besluit van 25 juli 2024. Appellant stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank, die op 24 juni 2025 het beroep gegrond verklaarde, de minister veroordeelde tot betaling van proceskosten van €2.267,50 en het verzoek om schadevergoeding afwees.

Appellant stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank, uitsluitend gericht tegen de hoogte van de proceskostenveroordeling. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank terecht 2,5 punten toekende voor het beroepschrift, de zitting en de nadere zitting, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De grief van appellant faalde en het hoger beroep werd ongegrond verklaard. De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank voor zover deze de minister veroordeelde tot betaling van €2.267,50 aan proceskosten. De minister hoeft geen proceskosten in hoger beroep te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de proceskostenveroordeling van €2.267,50 wordt bevestigd.

Uitspraak

202504236/1/V3.
Datum uitspraak: 14 augustus 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's­Hertogenbosch, van 24 juni 2025 in zaak nr. 24/13216 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 25 juli 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid appellant opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten.
Bij uitspraak van 24 juni 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, de minister veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 2.267,50 en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M. Görsültürk, advocaat in Oss, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep is uitsluitend gericht tegen de hoogte van de proceskostenveroordeling die de rechtbank heeft uitgesproken. Anders dan appellant in haar enige grief stelt, heeft de rechtbank terecht voor het beroepschrift, de zitting en de nadere zitting niet drie maar 2,5 punten toegekend. Uit de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, onder A1, punt 15, volgt namelijk dat 0,5 punt moet worden toegekend voor een nadere zitting anders dan na een tussenuitspraak, en die situatie deed zich hier voor. De grief faalt daarom.
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor zover aangevallen, dat wil zeggen voor zover de rechtbank de minister heeft veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 2.267,50 aan proceskosten aan appellant. De minister hoeft geen proceskosten in hoger beroep te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Dallinga
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2025
18