ECLI:NL:RVS:2025:3851
Raad van State
- Hoger beroep
- J. Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Bevestiging last onder dwangsom wegens kamerverhuur zonder vergunning in Rotterdam
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam legde aan appellant een last onder dwangsom op wegens kamerverhuur zonder vergunning aan vier personen die niet tot één huishouden behoren in een pand in Rotterdam. Appellant betwistte dit en stelde beroep in bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde appellant hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overwoog dat appellant wel degelijk belang heeft bij het hoger beroep omdat de last onder dwangsom nog van kracht is en het college nog niet heeft beslist op het verzoek tot opheffing. De kern van het geschil is of sprake is van kamerverhuur of van een duurzaam gemeenschappelijke huishouding. Het college en de rechtbank oordeelden dat de vier studenten geen duurzaam huishouden vormden, mede omdat zij elkaar slechts kort kenden en geen intentie hadden om bestendig samen te wonen.
De Afdeling sluit zich aan bij de gemotiveerde beoordeling van de rechtbank en het college. Zij wijst erop dat eerdere goedkeuring van een andere bewonerssituatie geen rechten schept voor de huidige situatie. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de last onder dwangsom blijft van kracht.