ECLI:NL:RVS:2025:3950

Raad van State

Datum uitspraak
20 augustus 2025
Publicatiedatum
20 augustus 2025
Zaaknummer
202500030/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 10 Opvangrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank over tenuitvoerlegging vrijheidsontnemende maatregel in grensdetentie

Bij besluit van 3 december 2024 legde de minister van Asiel en Migratie aan betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel op. Betrokkene stelde beroep in tegen deze maatregel, waarbij de rechtbank Den Haag op 2 januari 2025 het beroep deels gegrond verklaarde, met name gericht tegen de wijze van tenuitvoerlegging, en de minister opdroeg de tenuitvoerlegging te wijzigen en betrokkene schadeloos te stellen.

De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelt dat het Justitieel Complex Schiphol (JCS) wel degelijk een gespecialiseerde bewaringsaccommodatie is in de zin van de Opvangrichtlijn, waardoor de tenuitvoerlegging van de grensdetentie niet onrechtmatig is.

De Afdeling vernietigt daarom het deel van de uitspraak van de rechtbank dat de tenuitvoerlegging onrechtmatig achtte en de wijziging daarvan beval, en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Voor het overige bevestigt de Afdeling de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard en het beroep tegen de wijze van tenuitvoerlegging wordt ongegrond verklaard; het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

202500030/1/V3.
Datum uitspraak: 20 augustus 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 januari 2025 in zaak nr. NL24.50555 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 3 december 2024 heeft de minister betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 2 januari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep, voor zover gericht tegen de wijze van tenuitvoerlegging van de maatregel, gegrond verklaard en voor het overige ongegrond, de wijziging van de tenuitvoerlegging van de maatregel met ingang van die dag bevolen en de minister opgedragen betrokkene schadeloos te stellen.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. A.W. Eikelboom, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.       De minister komt terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat het Justitieel Complex Schiphol (JCS) geen gespecialiseerde bewaringsaccommodatie is in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Opvangrichtlijn en dat de tenuitvoerlegging van de grensdetentie daarom onrechtmatig is. De Afdeling verwijst naar haar uitspraken van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:258, en 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:789.
1.1.    De grief slaagt.
2.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover de rechtbank het beroep gericht tegen de wijze van tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel gegrond heeft verklaard, de wijziging van de tenuitvoerlegging van de maatregel met ingang van die dag heeft bevolen en de minister heeft opgedragen betrokkene schadeloos te stellen. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige. Omdat de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de grensdetentie onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 januari 2025 in zaak nr. NL24.50555, voor zover de rechtbank het beroep gericht tegen de wijze van tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel gegrond heeft verklaard, de wijziging van de tenuitvoerlegging van de maatregel met ingang van die dag heeft bevolen en de minister van Asiel en Migratie heeft opgedragen betrokkene schadeloos te stellen;
III.      bevestigt die uitspraak voor het overige;
IV.      verklaart het beroep ongegrond, voor zover dat gaat over de detentieomstandigheden in het JCS;
V.       wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Kraak, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Kraak
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2025
1020