ECLI:NL:RVS:2025:3953
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen uitspraak rechtbank over tenuitvoerlegging vrijheidsontnemende maatregel in grensdetentie
De minister van Asiel en Migratie legde op 26 november 2024 aan betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel op. Betrokkene stelde beroep in tegen deze maatregel bij de rechtbank Den Haag, die op 31 december 2024 oordeelde dat de wijze van tenuitvoerlegging onrechtmatig was omdat het Justitieel Complex Schiphol (JCS) geen gespecialiseerde bewaringsaccommodatie is volgens de Opvangrichtlijn. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond voor zover het de tenuitvoerlegging betrof en legde de minister een schadeloosstelling op.
De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank onjuist had geoordeeld en bevestigde dat het JCS wel als gespecialiseerde bewaringsaccommodatie kan worden aangemerkt. Hierdoor is de tenuitvoerlegging van de grensdetentie niet onrechtmatig. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover deze de tenuitvoerlegging betrof, en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
De Raad van State bevestigde de overige onderdelen van de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak werd in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2025.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover de tenuitvoerlegging onrechtmatig werd geoordeeld, en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.