ECLI:NL:RVS:2025:3954

Raad van State

Datum uitspraak
20 augustus 2025
Publicatiedatum
20 augustus 2025
Zaaknummer
202500597/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 10, eerste lid, OpvangrichtlijnArt. 91, tweede lid, Vw 2000
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank over onrechtmatigheid grensdetentie en schadevergoeding

Bij besluit van 29 december 2024 legde de minister van Asiel en Migratie aan betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel op. Betrokkene stelde beroep in tegen de wijze van tenuitvoerlegging van deze maatregel. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep gegrond voor zover het ging om de periode tot 2 januari 2025 en oordeelde dat het JCS toen geen gespecialiseerde bewaringsaccommodatie was, waardoor de detentie onrechtmatig was. De rechtbank beval tevens schadeloosstelling aan betrokkene.

Zowel de minister als betrokkene stelden hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep van de minister gegrond is, verwijzend naar eerdere uitspraken waarin het JCS wel als gespecialiseerde bewaringsaccommodatie werd aangemerkt. Het hoger beroep van betrokkene werd ongegrond verklaard omdat het geen nieuwe rechtsvragen bevatte.

De Afdeling vernietigde het deel van de uitspraak van de rechtbank dat de detentie tot 2 januari 2025 onrechtmatig verklaarde en de minister opdroeg tot schadeloosstelling. Voor het overige bevestigde de Afdeling de uitspraak van de rechtbank. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard en het beroep van betrokkene ongegrond; de onrechtmatigheid van de grensdetentie tot 2 januari 2025 wordt verworpen en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

202500597/1/V3.
Datum uitspraak: 20 augustus 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
1. de minister van Asiel en Migratie,
2. [betrokkene],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 januari 2025 in zaak nr. NL25.649 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 29 december 2024 heeft de minister betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 23 januari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep voor zover gericht tegen de wijze van tenuitvoerlegging van de maatregel tot 2 januari 2025, gegrond verklaard en voor het overige ongegrond en de minister opgedragen betrokkene schadeloos te stellen.
Tegen deze uitspraak hebben de minister en betrokkene, vertegenwoordigd door mr. L.J. Meijering, advocaat in Assen, hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Het hoger beroep van de minister
1.       De minister komt terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat het JCS onder de omstandigheden ten tijde van de grensdetentie van betrokkene tot 2 januari 2025 geen gespecialiseerde bewaringsaccommodatie was in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Opvangrichtlijn en dat de tenuitvoerlegging van de grensdetentie tot die datum daarom onrechtmatig was. De Afdeling verwijst naar haar uitspraken van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:258, en 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:789.
1.1.    De grief slaagt.
Het hoger beroep van betrokkene
2.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
Conclusie
3.       Het hoger beroep van de minister is gegrond. Het hoger beroep van betrokkene is ongegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover de rechtbank het beroep gericht tegen de wijze van tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel tot 2 januari 2025 gegrond heeft verklaard en de minister heeft opgedragen betrokkene schadeloos te stellen. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige. Omdat de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de grensdetentie onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep van de minister gegrond;
II.       verklaart het hoger beroep van betrokkene ongegrond;
III.      vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 januari 2025 in zaak nr. NL25.649, voor zover de rechtbank het beroep gericht tegen de wijze van tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel tot 2 januari 2025 gegrond heeft verklaard en de minister heeft opgedragen betrokkene schadeloos te stellen;
IV.      bevestigt die uitspraak voor het overige;
V.       verklaart het beroep ongegrond, voor zover dat gaat over de detentieomstandigheden in het JCS;
VI.      wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.A. de Jong, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Jong
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2025
981