ECLI:NL:RVS:2025:3955
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen onrechtmatige grensdetentie en weigering schadevergoeding
De minister van Asiel en Migratie legde op 18 november 2024 een vrijheidsontnemende maatregel op aan betrokkene. Betrokkene stelde beroep in tegen deze maatregel, waarop de rechtbank Den Haag op 20 december 2024 het beroep gegrond verklaarde, de maatregel ophefte en schadevergoeding toekende.
De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde het vonnis van de rechtbank en oordeelde dat het Justitieel Complex Schiphol (JCS) ten tijde van de grensdetentie van betrokkene nog wel als gespecialiseerde bewaringsaccommodatie kwalificeerde volgens artikel 10, eerste lid, van de Opvangrichtlijn. Hierdoor was de tenuitvoerlegging van de grensdetentie rechtmatig.
Betrokkene voerde medische klachten aan, maar de Afdeling vond dat de minister terecht geen lichter middel hoefde toe te passen gezien de aanwezige medische voorzieningen in het JCS. Het beroep van betrokkene werd ongegrond verklaard, het verzoek om schadevergoeding afgewezen en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van betrokkene ongegrond verklaard met afwijzing van schadevergoeding.