ECLI:NL:RVS:2025:3961

Raad van State

Datum uitspraak
20 augustus 2025
Publicatiedatum
20 augustus 2025
Zaaknummer
202105244/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 8:29 AwbAlgemene verordening gegevensbescherming
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit inzage persoonsgegevens en opdracht tot nieuw besluit door burgemeester Amsterdam

Op 10 juli 2018 verzocht appellant het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om inzage in zijn persoonsgegevens en alle dossiers die over hem bij de gemeente bestaan. Het college gaf aanvankelijk inzage via de basisregistratie personen en een overzicht van instanties die zijn gegevens opvroegen.

Na bezwaar werd het besluit deels gewijzigd zodat appellant inzage kreeg in enkele brieven en passages die eerder onleesbaar waren gemaakt, vanwege privacy van derden en openbare veiligheid. De burgemeester stelde dat het verzoek te ruim was en vroeg appellant dit te preciseren, wat niet gebeurde.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Afdeling bestuursrechtspraak stelt vast dat het besluit onvolledig en onzorgvuldig is omdat meer persoonsgegevens zijn verwerkt dan in het besluit vermeld. Daarom vernietigt de Afdeling het besluit en draagt de burgemeester op uiterlijk 1 december 2025 een nieuw besluit te nemen.

De Afdeling veroordeelt de burgemeester tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht. Gezien de omvang van het nieuwe besluit wordt geen dwangsom opgelegd en wordt geen judiciële lus toegepast.

Uitkomst: Het besluit van de burgemeester van Amsterdam over inzage in persoonsgegevens wordt vernietigd en de burgemeester wordt opgedragen uiterlijk 1 december 2025 een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

202105244/1/A3.
Datum uitspraak: 20 augustus 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], verblijvend in Amsterdam,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 juni 2021 in zaak nr. 19/4477 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (lees: de burgemeester van Amsterdam).
Procesverloop
Bij besluit van 19 oktober 2018, vervangen door het besluit van 21 december 2018, heeft het college een beslissing genomen op een verzoek van [appellant] om inzage op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG).
Bij besluit van 11 juli 2019 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 21 december 2018 gewijzigd in die zin dat alsnog inzage is gegeven in een tweetal brieven en enkele passages die eerder onleesbaar waren gemaakt.
Bij uitspraak van 18 juni 2021 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De burgemeester heeft stukken ingediend en verzocht om geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). [appellant] is gevraagd om toestemming om mede op grondslag van de geheim te houden stukken uitspraak te doen. [appellant] heeft die toestemming verleend. De Afdeling heeft kennisgenomen van de stukken.
[appellant] en de burgemeester hebben allebei nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 30 juni 2025, waar [appellant] en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. M. Houben en mr. S.S. Johannes-Daha, vergezeld door mr. C. Claessens en M. Schippers, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       Op 10 juli 2018 heeft [appellant] het college verzocht om inzage in zijn persoonsgegevens en alle dossiers die er van hem bij de gemeente Amsterdam bestaan.
1.1.    Met het besluit van 19 oktober 2018 heeft het college [appellant] meegedeeld dat hij via www.mijn.overheid.nl inzage heeft in hoe hij geregistreerd staat in de basisregistratie personen en dat hij via de website van de gemeente een overzicht kan krijgen van instanties die zijn persoonsgegevens hebben opgevraagd.
1.2.    Met het besluit van 21 december 2018 heeft de burgemeester het besluit van 19 oktober 2018 herroepen in die zin dat [appellant] gedeeltelijk inzage heeft gekregen in persoonsgegevens die over hem zijn verwerkt ten behoeve van de Persoonsgerichte Aanpak (hierna: PGA). Daarbij heeft de burgemeester delen van het dossier onleesbaar gemaakt, vanwege de bescherming van de privacy van derden en als waarborg voor de openbare veiligheid.
1.3.    Met het besluit van 11 juli 2019 heeft de burgemeester het bezwaar van [appellant] gegrond verklaard, omdat pas na afloop van de hoorzitting nog twee brieven met persoonsgegevens van [appellant] zijn gevonden en hij alsnog inzage krijgt in enkele passages die eerder onleesbaar waren gemaakt. Ook heeft de burgemeester zich op het standpunt gesteld dat het verzoek van [appellant] te ruim is geformuleerd. Vanwege de grote hoeveelheid persoonsgegevens die over [appellant] worden verwerkt, heeft de burgemeester hem verzocht om zijn verzoek te preciseren. Omdat [appellant] geen gehoor heeft gegeven aan dat verzoek, concludeert de burgemeester dat aan het verzoek is voldaan door op 22 maart 2019 het dossieroverzicht te verstrekken en met de inzage in de gegevens die zijn verwerkt in het kader van de PGA.
Hoger beroep
2.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester het besluit van 11 juli 2019 op goede gronden heeft genomen. Hij voert daartoe - samengevat - aan dat het dossieroverzicht onvolledig is en dat dat de burgemeester hem geen inzage heeft gegeven in alle persoonsgegevens die de burgemeester over hem verwerkt, terwijl hij daar wel om heeft verzocht.
2.1.    De burgemeester heeft de Afdeling bij brief van 18 juni 2025 laten weten dat na een nadere zoekslag is gebleken dat hij meer persoonsgegevens over [appellant] heeft verwerkt over de periode tot aan 10 juli 2018, dan alleen de gegevens die zijn opgenomen in het besluit van 11 juli 2019. De Afdeling stelt daarom vast dat het besluit van 11 juli 2019 onvolledig is. Dit betekent dat dit besluit onzorgvuldig tot stand gekomen is. De rechtbank is ten onrechte tot een andere conclusie gekomen.
Het betoog slaagt.
Conclusie
3.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat de burgemeester heeft toegezegd dat [appellant] inzage in zijn volledige dossier zal krijgen, hoeft wat [appellant] verder heeft aangevoerd hoeft niet te worden besproken. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep gegrond verklaren, het besluit van 11 juli 2019 vernietigen, wegens strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb, en de burgemeester opdragen een nieuw besluit op het bezwaar van [appellant] te nemen. Ter zitting heeft de burgemeester aangegeven dat dit besluit kan worden genomen uiterlijk op 1 december 2025. De Afdeling zal de burgemeester daarom opdragen om uiterlijk op deze datum een besluit te nemen. Gelet op hetgeen de burgemeester ter zitting heeft verklaard, ziet de Afdeling thans geen aanleiding om aan haar opdracht een dwangsom te verbinden. De Afdeling past geen judiciële lus toe, vanwege de te verwachten omvang van het nieuw te nemen besluit en afwijking van het voorliggende besluit.
4.       De burgemeester moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 juni 2021 in zaak nr. 19/4477;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.      vernietigt het besluit van de burgemeester van Amsterdam van 11 juli 2019, kenmerk DJ.18.010804.001;
V.       draagt de burgemeester van Amsterdam op om uiterlijk 1 december 2025, met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen, een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
VI.      veroordeelt de burgemeester van Amsterdam tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.756,21, waarvan € 2.721,00 toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VII.     gelast dat de burgemeester van Amsterdam aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 270,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. C.H. Bangma en mr. M.C Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.G.L. Soetens, griffier.
w.g. Borman
voorzitter
w.g. Soetens
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2025
1072