ECLI:NL:RVS:2025:4062
Raad van State
- Hoger beroep
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over grensdetentie en onrechtmatigheid
De minister van Asiel en Migratie legde op 13 november 2024 een vrijheidsontnemende maatregel op aan betrokkene in de vorm van grensdetentie. Betrokkene stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 17 december 2024 het beroep gegrond verklaarde, de grensdetentie ophefte en schadevergoeding toekende.
De minister stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank omdat het oordeel dat het Justitieel Complex Schiphol geen gespecialiseerde bewaringsaccommodatie is, onjuist was. De Afdeling toetste vervolgens de overige beroepsgronden.
Betrokkene voerde aan dat de minister te laat een beslissing had genomen over het asielverzoek, waardoor de grensdetentie onrechtmatig zou zijn voortgeduurd. De Afdeling stelde vast dat de minister binnen de wettelijke termijn van vier weken een beslissing had genomen, en dat er geen aanwijzingen waren voor onrechtmatige vertraging.
De Afdeling oordeelde dat de grensdetentie niet onrechtmatig was en wees het verzoek om schadevergoeding af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep alsnog ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de minister ongegrond, waarbij de grensdetentie als rechtmatig wordt bevestigd.