ECLI:NL:RVS:2025:4075

Raad van State

Datum uitspraak
20 augustus 2025
Publicatiedatum
26 augustus 2025
Zaaknummer
202400396/1/R3
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:67 AwbArt. 8:119 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot herziening uitspraak bestuursrechtelijke zaak Tubbergen

Verzoekers hebben verzocht om herziening van de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2021 in een bestuursrechtelijke zaak betreffende de gemeente Tubbergen. De verzoeken zijn ingediend op 17 januari 2024, ruim na de termijn van één jaar die de Afdeling hanteert als uitgangspunt voor de beoordeling van de redelijkheid van de indieningstermijn.

De Afdeling overweegt dat hoewel het indienen van een herzieningsverzoek niet aan een wettelijke termijn is gebonden, in de praktijk een termijn van één jaar wordt gehanteerd, tenzij sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die een kortere termijn rechtvaardigen. In deze zaak zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden (nova) gesteld die de termijn zouden kunnen verlengen, noch is sprake van een meerpartijengeschil dat een kortere termijn zou rechtvaardigen.

Daarom wordt het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk verklaard wegens onredelijk late indiening. De Afdeling ziet geen aanleiding om de verzoeken inhoudelijk te behandelen en legt geen proceskostenveroordeling op.

Uitkomst: Verzoek tot herziening van de uitspraak van 4 mei 2021 wordt afgewezen wegens onredelijk late indiening.

Uitspraak

202400396/1/R3.
Datum uitspraak: 20 augustus 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) op de verzoeken van:
1.       [verzoeker A], wonend in Tubbergen,
2.       [verzoeker B], wonend in Tubbergen,
verzoekers,
om herziening (artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) van de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2021, in zaak nr. ECLI:NL:RVS:2021:939.
Openbare zitting gehouden op 20 augustus 2025 om 11:15 uur.
Tegenwoordig:
staatsraad mr. E.A. Minderhoud, voorzitter
staatsraad G.O. van Veldhuizen, lid
staatsraad mr. M.J.M. Ristra-Peeters, lid
griffier: mr. M. Priem
Verschenen:
[verzoeker A];
[verzoeker B];
de raad van de gemeente Tubbergen, vertegenwoordigd door mr. drs. M.Y. Rutjes
====================================
[verzoeker A] en [verzoeker B] hebben verzocht om de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2021, in zaak nr. ECLI:NL:RVS:2021:939, te herzien. De Afdeling gaat niet over tot herziening en wijst de verzoeken af.
Redenen:
1.       Hoewel het indienen van een verzoek om herziening niet aan enige wettelijke termijn is gebonden, hanteert de Afdeling bij de beoordeling van een dergelijk verzoek als uitgangspunt dat het verzoek niet onredelijk laat mag zijn ingediend. Zoals de grote kamer van de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraken van 28 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:308 en ECLI:NL:RVS:2015:310, wordt bij de invulling van het "onredelijk laat"-criterium in de regel uitgegaan van een termijn van één jaar. Dit betekent dat de indiening van een verzoek om herziening als onredelijk laat wordt aangemerkt indien het verzoek is ingediend meer dan een jaar na het bekend worden met de daarin gestelde nova dan wel, indien geen nova zijn gesteld, na de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht. Een uitzondering op die regel wordt gemaakt voor die uitzonderlijke gevallen waarin het belang van de rechtszekerheid van andere belanghebbenden en bestuursorganen dermate betrokken is, dat het hanteren van een zo lange termijn niet aanvaardbaar zou zijn. Dit laatste kan zich eerder in meerpartijengeschillen dan in tweepartijengeschillen voordoen, en eerder indien bij de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht, een besluit in stand is gebleven waarbij aan een of meer belanghebbenden toestemming is verleend om bepaalde activiteiten te verrichten. In dergelijke uitzonderlijke gevallen waarin de termijn van één jaar niet wordt gehanteerd, zal een termijn gelden van drie maal zes weken.
2.       De verzoeken om herziening zijn op 17 januari 2024 ingediend.
3.       [verzoeker A] en [verzoeker B] hebben hun verzoek niet ingediend binnen een jaar na de datum van openbaarmaking van de uitspraak van 4 mei 2021. Ze hebben ook geen nova gesteld die hen in het jaar voorafgaand aan het indienen van hun herzieningsverzoek bekend zijn geworden, nog daargelaten of in dit geval een termijn van drie maal zes weken zou moeten gelden.
4.       Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding om de herzieningsverzoeken niet inhoudelijk te behandelen omdat de verzoeken onredelijk laat zijn ingediend. De verzoeken worden niet-ontvankelijk verklaard.
5.       Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
w.g. Minderhoud
voorzitter
w.g. Priem
griffier
646