ECLI:NL:RVS:2025:4114
Raad van State
- Hoger beroep
- N.H. van den Biggelaar
- Rechtspraak.nl
Vergunning kamerbewoning Rotterdam: belanghebbende en bezwaarprocedure
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam verleende op 17 juni 2020 een vergunning voor kamerbewoning aan de eigenaar van een woning voor maximaal vijf personen. Een omwonende maakte bezwaar tegen deze vergunning, stellende dat de kamerbewoning geen positieve invloed had op de buurt. Het college verklaarde het bezwaar ongegrond, maar de rechtbank vernietigde dit besluit en wees de vergunningaanvraag af.
De vergunninghouder en het college stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak, terwijl de omwonende voorwaardelijk incidenteel hoger beroep instelde. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de omwonende geen belanghebbende was bij het besluit, omdat zij geen gevolgen van betekenis ondervond gezien de afstand en de ligging van de woningen.
Hierdoor was het bezwaar van de omwonende niet-ontvankelijk en had de rechtbank het beroep niet inhoudelijk mogen beoordelen. Het hoger beroep van de vergunninghouder werd gegrond verklaard, het hoger beroep van het college en het incidenteel hoger beroep van de omwonende niet-ontvankelijk. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het bezwaar van de omwonende tegen het oorspronkelijke besluit werd niet-ontvankelijk verklaard. De vergunning voor kamerbewoning blijft daarmee geldig.
Uitkomst: Het bezwaar van de omwonende wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang, waardoor de vergunning voor kamerbewoning geldig blijft.