ECLI:NL:RVS:2025:4144
Raad van State
- Hoger beroep
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel door staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
In deze zaak gaat het om het hoger beroep van een appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, die op 10 juli 2025 zijn beroep ongegrond verklaarde. De appellant had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 2 augustus 2024 niet in behandeling werd genomen. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris terecht had gehandeld, maar de appellant was het daar niet mee eens en stelde hoger beroep in.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de grieven van de appellant beoordeeld. De eerste grief betrof de klacht dat de rechtbank niet inging op zijn beroepsgrond over het standaardvoornemen. De Afdeling oordeelde dat, hoewel de klacht terecht was, dit niet leidde tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling had eerder in een andere uitspraak al verduidelijkt dat de besluitvorming niet onzorgvuldig is, zelfs als niet op alle individuele omstandigheden van een vreemdeling wordt ingegaan.
De derde grief van de appellant betrof de beperkte toegang tot gezondheidszorg voor asielzoekers in Kroatië. Ook deze grief leidde niet tot vernietiging van de uitspraak, omdat de Afdeling oordeelde dat er in Kroatië, zelfs bij overbezetting, basale medische zorg beschikbaar is. De appellant had niet aannemelijk gemaakt dat hij bij overdracht geen noodzakelijke medische zorg zou krijgen.
Uiteindelijk oordeelde de Afdeling dat het hoger beroep ongegrond was en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De minister van Asiel en Migratie werd niet verplicht om proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, lid van de enkelvoudige kamer, in aanwezigheid van mr. D.I. Schipper, griffier, en werd openbaar uitgesproken op 28 augustus 2025.