ECLI:NL:RVS:2025:4509
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf in hoger beroep
Appellant heeft bij besluit van 4 april 2022 een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. Tegen dit besluit maakte appellant bezwaar, dat bij besluit van 1 augustus 2024 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 3 maart 2025 het beroep ongegrond verklaarde.
Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling heeft de motivering van de rechtbank overgenomen en geoordeeld dat het hoger beroep geen nieuwe vragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming. Daarom is het hoger beroep ongegrond verklaard en is de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer en uitgesproken in het openbaar op 24 september 2025.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.