ECLI:NL:RVS:2025:453

Raad van State

Datum uitspraak
6 februari 2025
Publicatiedatum
6 februari 2025
Zaaknummer
202407614/2/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling en weigering opvang

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 23 mei 2024 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 10 december 2024 ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht hij om een voorlopige voorziening om te voorkomen dat hij wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist, alsmede om opvang en verstrekkingen.

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State stelde vast dat het verzoek geen spoedeisend belang bevatte. Zonder spoedeisend belang is het niet noodzakelijk een voorlopige voorziening te treffen. Daarom werd het verzoek afgewezen. Tevens werd de minister niet verplicht tot vergoeding van proceskosten.

De uitspraak werd gedaan op 6 februari 2025 door voorzieningenrechter D.A. Verburg in aanwezigheid van griffier J. van de Kolk. Hiermee blijft het besluit van de staatssecretaris en de uitspraak van de rechtbank in stand totdat het hoger beroep inhoudelijk wordt behandeld.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen uitzetting en voor opvang wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

202407614/2/V3.
Datum uitspraak: 6 februari 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 10 december 2024 in zaak nr. NL24.23426 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 23 mei 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 10 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.       De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat hij opvang en verstrekkingen krijgt.
2.       De voorzieningenrechter stelt vast dat uit het verzoek van de vreemdeling geen spoedeisend belang blijkt voor het treffen van een voorlopige voorziening.
3.       Het verzoek wordt afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. Verburg
voorzieningenrechter
w.g. Van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2025
347-1125