ECLI:NL:RVS:2025:4618

Raad van State

Datum uitspraak
1 oktober 2025
Publicatiedatum
29 september 2025
Zaaknummer
BRS.25.000760
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 59 Vw 2000Art. 91 Vw 2000Art. 106 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank wegens niet-beoordeling eerste bewaringsmaatregel en toekenning schadevergoeding

De minister heeft appellant op 23 april 2025 twee bewaringsmaatregelen opgelegd: eerst krachtens artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, welke dezelfde dag werd opgeheven, gevolgd door een tweede maatregel krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a. Appellant stelde beroep in tegen beide besluiten en het terugkeerbesluit. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af, maar beoordeelde niet het beroep tegen de eerste bewaringsmaatregel.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de rechtbank ten onrechte het beroep tegen de eerste bewaringsmaatregel niet heeft beoordeeld, terwijl appellant dit duidelijk had aangevoerd en de rechtbank hierover op de zitting had gesproken. De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond en vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover deze het beroep tegen de eerste maatregel niet heeft beoordeeld.

De Afdeling beoordeelt het beroep zelf en verklaart dit gegrond, omdat de minister heeft erkend dat de eerste bewaringsmaatregel op een onjuiste grondslag berustte en daarmee onrechtmatig was vanaf het begin. Omdat de tweede maatregel op dezelfde dag werd opgelegd, is een bevel tot opheffing niet nodig. Appellant krijgt recht op een schadevergoeding van €100 voor de dag onrechtmatige bewaring.

Daarnaast veroordeelt de Afdeling de minister tot vergoeding van proceskosten van €2.721,00 voor de behandeling van het beroep tegen de eerste bewaringsmaatregel en het hoger beroep. Voor het overige bevestigt de Afdeling de uitspraak van de rechtbank.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor het niet-beoordelen van het beroep tegen de eerste bewaringsmaatregel en appellant krijgt een schadevergoeding toegekend.

Uitspraak

BRS.25.000760
Datum uitspraak: 1 oktober 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de gerectificeerde uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 16 juni 2025 in zaken nrs. NL25.19124 en NL25.19128 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluiten van 23 april 2025 heeft de minister appellant opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en hem in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 16 juni 2025 heeft de rechtbank de daartegen door appellant ingestelde beroepen ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. F. Boone, advocaat in Berkel en Rodenrijs, hoger beroep ingesteld.
De rechtbank heeft op verzoek van de Afdeling schriftelijke inlichtingen gegeven.
Overwegingen
1.        De minister heeft appellant op 23 april 2025 aanvankelijk krachtens artikel 59, tweede lid, van de Vw 2000 in bewaring gesteld, deze maatregel op diezelfde dag opgeheven en appellant vervolgens krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.
1.1.        Appellant klaagt in zijn eerste grief terecht dat de rechtbank de eerste bewaringsmaatregel ten onrechte niet als bestreden besluit heeft aangemerkt. Uit het indieningsdocument van 24 april 2025, met tijdstip van ontvangst 17:29:34 uur, volgt dat appellant beroep instelt tegen een bewaringsmaatregel en dat dit beroep ook gericht is tegen een terugkeerbesluit. In het indieningsdocument van diezelfde datum, met tijdstip van ontvangst 17:33:20 uur, heeft appellant vermeld dat dit beroep gericht is tegen de bewaringsmaatregel krachtens artikel 59, tweede lid, van de Vw 2000. Daarnaast heeft de rechtbank bij brieven van 25 april 2025 in zaken nrs. NL25.19124 en NL25.19128 de zittingsdatum aangekondigd, waarbij zij in de onderwerpregel in beide brieven heeft vermeld dat het gaat om een bewaringszitting. Deze nummers komen overeen met de nummers op het voorblad van de uitspraak van de rechtbank. Tot slot blijkt uit de zittingsaantekeningen dat op de zitting in beroep is gesproken over beide bewaringsmaatregelen en dat appellant erop heeft gewezen dat hij ook beroep had ingesteld tegen het terugkeerbesluit. In reactie hierop heeft de rechtbank op de zitting toegelicht dat zij appellant op de hoogte zou houden over een eventueel nieuw zaaknummer, maar dat de zaken op dat moment wel behandeld werden. Onder deze omstandigheden komt de Afdeling tot het oordeel dat in de uitspraak van de rechtbank een rechterlijk oordeel ontbreekt over het door appellant ingestelde beroep tegen de eerste bewaringsmaatregel.
1.2.        De grief slaagt.
2.        Wat appellant in zijn overige grieven heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3.        Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover zij heeft nagelaten het beroep tegen de eerste bewaringsmaatregel te beoordelen. De Afdeling beoordeelt het beroep tegen de eerste bewaringsmaatregel. De Afdeling zal dat beroep gegrond verklaren. De minister heeft op de zitting bij de rechtbank namelijk erkend dat de eerste bewaringsmaatregel op een onjuiste grondslag berustte. Hiermee staat vast dat deze vanaf het begin onrechtmatig was.
Omdat die bewaringsmaatregel is geëindigd door het opleggen van de tweede bewaringsmaatregel op diezelfde dag, is een bevel tot opheffing niet nodig. Appellant heeft wel recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). Deze vergoeding wordt daarom aan appellant toegekend. De Afdeling bevestigt de uitspraak voor het overige. De minister moet de proceskosten voor de behandeling van het beroep tegen de eerste bewaringsmaatregel en het hoger beroep vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.        vernietigt de gerectificeerde uitspraak van de rechtbank Den Haag,
zittingsplaats Utrecht, van 16 juni 2025 in zaken nrs. NL25.19124 en NL25.19128, zover de rechtbank heeft nagelaten het beroep tegen de eerste bewaringsmaatregel te beoordelen;
III.        verklaart het beroep tegen de eerste bewaringsmaatregel gegrond;
IV.        kent aan appellant een schadevergoeding toe van € 100,00 voor de dag dat hij onrechtmatig in bewaring heeft verbleven, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;
V.        bevestigt de uitspraak voor het overige;
VI.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep tegen de eerste bewaringsmaatregel en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.721,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. J.Th. Drop, in tegenwoordigheid van mr. S.S. Jiawan, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Jiawan
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2025
1017