ECLI:NL:RVS:2025:486

Raad van State

Datum uitspraak
12 februari 2025
Publicatiedatum
10 februari 2025
Zaaknummer
BRS.24.000194
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 55 Vw 2000Art. 6 Vw 2000
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank en afwijzing beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid legde op 23 april 2024 een vrijheidsontnemende maatregel op aan een vreemdeling. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 22 mei 2024 het beroep gegrond verklaarde en schadevergoeding toekende.

De minister van Asiel en Migratie ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat artikel 55, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 geen voldoende grondslag biedt voor het zonder toestemming onderzoeken van mobiele telefoons.

Echter, de Afdeling verwierp het oordeel van de rechtbank dat het onderzoek aan de mobiele telefoons leidde tot onrechtmatigheid van de grensdetentie. De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond, maar het beroep van de vreemdeling ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.

De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 12 februari 2025.

Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt afgewezen en het verzoek om schadevergoeding wordt geweigerd.

Uitspraak

BRS.24.000194
Datum uitspraak: 12 februari 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 22 mei 2024 in zaak nr. NL24.18230 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 23 april 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 22 mei 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. P.J. Schüller, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.       De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat artikel 55, tweede lid, van de Vw 2000 niet volstaat als grondslag voor het zonder toestemming onderzoeken van mobiele telefoons. Maar de minister komt in zijn enige grief terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat het onderzoek aan de mobiele telefoons van de vreemdeling leidt tot de onrechtmatigheid van de grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 22 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:132, onder 4 tot en met 4.7.1.
1.1.    De grief slaagt.
2.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken en de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de grensdetentie onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 22 mei 2024 in zaak nr. NL24.18230;
III.      verklaart het beroep ongegrond;
IV.      wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. de Moor-van Vugt
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2025
1020-846