ECLI:NL:RVS:2025:4905

Raad van State

Datum uitspraak
3 oktober 2025
Publicatiedatum
14 oktober 2025
Zaaknummer
202502000/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Huisvestingsverordening Regio Utrecht 2023Art. 8:67 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing urgentieverklaring wegens niet-ingezetenschap en onvoldoende inspanning woningzoektocht

Appellant, woonachtig te Amersfoort, verzocht om een urgentieverklaring om na zijn scheiding een zelfstandige woning nabij zijn kinderen in Utrecht te verkrijgen. Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht wees dit verzoek af op grond van artikel 28, eerste lid, van de Huisvestingsverordening Regio Utrecht 2023, omdat appellant niet als ingezetene werd beschouwd en niet kon aantonen eerst zelf naar een woonoplossing te hebben gezocht.

De rechtbank Midden-Nederland bevestigde deze afwijzing in haar uitspraak van 18 februari 2025. Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat het college een eigen, geldige definitie van ingezetenschap hanteert binnen de Huisvestingsverordening en dat appellant niet aan deze definitie voldoet.

Omdat dit criterium voldoende is voor afwijzing, werden andere gronden niet behandeld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het college werd niet verplicht proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de urgentieverklaring bevestigd.

Uitspraak

202502000/1/A2.
Datum uitspraak: 3 oktober 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], te [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden­Nederland van 18 februari 2025 in zaak nr. 24/1738 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.
Openbare zitting gehouden op 3 oktober 2025 om 14:30 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer;
mr. C. Kouidar, griffier.
Verschenen:
[appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door K. Demir;
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 18 februari 2025 van de rechtbank Midden­Nederland.
De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.
Motivering:
1.       [appellant] verbleef ten tijde van belang in Amersfoort. Hij heeft een urgentieverklaring aangevraagd, omdat hij na zijn scheiding graag een zelfstandige woning wil in de nabijheid van zijn kinderen die in Utrecht wonen.
2.       Het college heeft bij besluit van 17 januari 2024 de afwijzing van de aanvraag om een urgentieverklaring gehandhaafd, omdat niet wordt voldaan aan verschillende voorwaarden uit artikel 28, eerste lid, van de Huisvestingsverordening Regio Utrecht 2023 (Huisvestingsverordening). Het college heeft aan de afwijzing onder meer ten grondslag gelegd dat [appellant] niet aangemerkt kan worden als ingezetene en dat hij niet kan aantonen dat hij eerst zelf naar een oplossing heeft gezocht.
3.       Uit wat [appellant] naar voren heeft gebracht, is niet gebleken dat het oordeel van de rechtbank onjuist is. Dat het begrip ingezetene in andere regelingen anders wordt uitgelegd, betekent niet dat het college die term onjuist uitlegt. De Huisvestingsverordening kent immers een eigen definitie van de term ingezetene en dat mag. Daarbij is niet in geschil dat [appellant] niet voldoet aan die definitie. Omdat dit voldoende is om de aanvraag af te wijzen, behoeven de overige gronden niet te worden besproken. Het betoog slaagt niet.
4.       Het hoger beroep is ongegrond.
5.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Kouidar
griffier
1120