ECLI:NL:RVS:2025:4957

Raad van State

Datum uitspraak
15 oktober 2025
Publicatiedatum
15 oktober 2025
Zaaknummer
202305985/1/R1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.F. de Groot
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.12 WaboArt. 16.2.1 Bestemmingsplan Dorpskernen II Herziening 2014Art. 2 BorArt. 4.3 Invoeringswet Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering omgevingsvergunning voor woning in strijd met bestemmingsplan en beleidsnota

Het college van burgemeester en wethouders van Medemblik weigerde op 14 april 2022 een omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning op een perceel nabij Twisk, omdat het plan in strijd was met het bestemmingsplan en de beleidsnota Woningbouw. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het college terecht de vergunning mocht weigeren vanwege aantasting van de ruimtelijke kwaliteit door verdichting van het dorpslint en het niet voldoen aan de regionale woningbehoefte. Wel werd geoordeeld dat de rechtbank ten onrechte niet had onderzocht of het college het beleidskader correct had toegepast. De Afdeling stelde vast dat het college onvoldoende had gemotiveerd dat de woning de ruimtelijke kwaliteit daadwerkelijk verslechtert.

Daarnaast werd geoordeeld dat het college terecht had geweigerd vanwege de nadelige gevolgen voor de veehouderijactiviteiten op een nabijgelegen perceel, mede vanwege mogelijke vergunningsvrije bouwmogelijkheden die de bedrijfsvoering kunnen beperken. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, zij het op andere gronden dan door de rechtbank overwogen.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van de omgevingsvergunning vanwege nadelige gevolgen voor de veehouderij en ruimtelijke kwaliteit.

Uitspraak

202305985/1/R1.
Datum uitspraak: 15 oktober 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-­Holland van 9 augustus 2023 in zaak nr. 22/2616 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Medemblik.
Procesverloop
Bij besluit van 14 april 2022 heeft het college geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen voor het in afwijking van het bestemmingsplan realiseren van een woning op het perceel met de kadastrale aanduiding 250 nabij [locatie A] in Twisk (hierna: het perceel).
Bij uitspraak van 9 augustus 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 5 augustus 2025, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.R. Plug, advocaat in Den Haag, is verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 14 juni 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2.       [appellant] is eigenaar van het perceel en heeft een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo aangevraagd voor het mogen realiseren van een woning op het perceel in afwijking van het bestemmingsplan. Bij de aanvraag heeft [appellant] een schetsontwerp overgelegd, waarmee wordt geïllustreerd hoe een woning op het perceel kan worden ingepast.
Het perceel ligt buiten de kern van Twisk. De bebouwing aan de Dorpsweg betreft gedeeltelijk lintbebouwing. Nabij het perceel ligt het gebied dat als beschermd dorpsgezicht is aangewezen.
Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Dorpskernen II Herziening 2014". Het perceel heeft de bestemming "Wonen" en de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2". Het perceel heeft geen bouwvlak. De bouw van een woning op het perceel is in strijd met artikel 16.2.1, aanhef en onder b, van de planregels, omdat een woning alleen binnen een bouwvlak mag worden gebouwd.
Bij besluit van 14 april 2022 heeft het college geweigerd om medewerking te verlenen aan de afwijking van het bestemmingsplan. Aan de weigering heeft het college, naast andere redenen voor weigering, ten grondslag gelegd dat niet wordt voldaan aan de uitgangspunten van de beleidsnota "Generiek Afwegingskader voor initiatieven van 1 tot 100 woningen in alle kernen" (hierna: de beleidsnota Woningbouw)". De beleidsnota Woningbouw is op 20 september 2020 vastgesteld door de raad van de gemeente. Een woning op het perceel voldoet volgens het college niet aan de ruimtelijke kaders van het beleid. Met de realisatie van een woning op het perceel wordt volgens het college de ruimtelijke kwaliteit van het dorpslint aangetast, omdat het dorpslint daardoor wordt verdicht. Ook sluit een woning op het perceel, in strijd met het hiervoor genoemde beleid, niet aan bij de regionale en gemeentelijke behoefte.
Aan het besluit ligt een reactienota van zienswijzen van 5 april 2022 ten grondslag.
De rechtbank heeft overwogen dat het college de omgevingsvergunning heeft mogen weigeren alleen al omdat een woning op het perceel in strijd met het beleid leidt tot verdichting van het dorpslint en het college dit een verslechtering van de ruimtelijke kwaliteit heeft mogen achten. Daarmee kan [appellant] zich niet verenigen.
Wettelijk kader
3.       De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Beoordelingskader
4.       Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.
Verdichting van het dorpslint
5.       [appellant] betoogt allereerst dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de omgevingsvergunning heeft mogen weigeren alleen al omdat het realiseren van een woning op het perceel in strijd met de beleidsnota Woningbouw leidt tot verdichting van het dorpslint en het college dat ongewenst heeft mogen achten. Hiertoe voert [appellant] aan dat de rechtbank niet is nagegaan of het college bij het nemen van het besluit het geldende afwegingskader uit het gemeentelijk beleid juist heeft toegepast. Een extra woning in het dorpslint is niet in strijd met het in de beleidsnota Woningbouw neergelegde beleid. Volgens [appellant] leidt een extra woning namelijk niet zonder meer tot aantasting van de ruimtelijke kwaliteit. Daarbij wijst hij erop dat in de beleidsnota Woningbouw staat dat geen sprake is van aantasting van de ruimtelijke kwaliteit indien een plan aansluit bij de aanwezige landschappelijke en/of ruimtelijke kwaliteit en identiteit van de betreffende kern.
5.1.    Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat een woning op het perceel zich niet verdraagt met de beleidsnota Woningbouw, omdat met een woning de ruimtelijke kwaliteit van het dorpslint wordt aangetast. Volgens het college verslechteren de stedenbouwkundige structuur en de landschappelijke kwaliteit daardoor.
De beleidsnota Woningbouw bevat een afwegingskader voor de beoordeling van woningbouwinitiatieven. Op grond van het daarin neergelegde beleid moet een nieuw plan minimaal aansluiten bij de aanwezige landschappelijke en/of ruimtelijke kwaliteit en identiteit van de betreffende kern. Er is dan geen sprake van een verslechtering van de aanwezige landschappelijke en/of ruimtelijke kwaliteit. In de beleidsnota staan geen expliciete regels over verdichting van open plekken in het dorpslint.
Zoals [appellant] met juistheid heeft gesteld, is ter hoogte van het perceel het voor dorpslinten kenmerkende open karakter slechts beperkt aanwezig. Zowel ten noordwesten als ten zuidoosten van het perceel ligt agrarische bebouwing. De doorzichten vanaf de weg naar het achterland worden al beperkt door die bebouwing. Onder deze omstandigheid staat niet vast dat met een woning op het perceel de stedenbouwkundige structuur en landschappelijke kwaliteit ter plaatse zonder meer verslechtert. De door het college relevant geachte omstandigheid dat moderne bebouwing op het open perceel niet past bij het historische karakter van Twisk en de unieke ruimtelijke uitstraling van het dorp, die volgens het college behouden moet blijven, acht de Afdeling daartoe onvoldoende. Bij de aanvraag is weliswaar een schetsontwerp van een woning gevoegd, maar voor die woning is geen omgevingsvergunning gevraagd. De aanvraag heeft alleen betrekking op het met het bestemmingsplan strijdige gebruik.
Gelet op wat hiervoor staat, heeft de rechtbank niet onderkend dat het college niet alleen vanwege de verdichting van het dorpslint de omgevingsvergunning al heeft mogen weigeren.
Het betoog slaagt.
Overige redenen van weigering; beoordeling beroepsgronden
6.       Gelet op wat onder 5.1 is geoordeeld, zal de Afdeling alsnog de overige bij de rechtbank aangevoerde beroepsgronden beoordelen, nu de rechtbank daaraan niet is toegekomen.
Regionale en gemeentelijke woningbehoefte
7.       [appellant] heeft betoogd dat het college ten onrechte aan de weigering ten grondslag heeft gelegd dat er met een grote vrijstaande woning in het duurdere segment niet wordt voldaan aan de regionale en gemeentelijke woningbehoefte. Daarbij wijst hij erop dat zo’n woning wel past binnen het in de beleidsnota Woningbouw neergelegde beleid. Met een dergelijke woning wordt een aantrekkelijke onderscheidende woonomgeving geboden die bijdraagt aan de aantrekkingskracht op woningzoekenden buiten de regio.
7.1.    Het college heeft zich in het besluit op het standpunt gesteld dat een woning op het perceel zich ook niet verdraagt met de beleidsnota Woningbouw, omdat niet wordt voldaan aan de regionale en gemeentelijke woningbehoefte.
In de beleidsnota Woningbouw staat dat het huidige woningbouwbeleid is gericht op het realiseren van onderscheidende en complementaire woonmilieus. Daarbij wordt vooral ingezet op woningtypen waar meer eigen inbreng van toekomstige bewoners mogelijk is én woningtypen die afwijken van dat wat hier al veel voorkomt. In de beleidsnota Woningbouw staat verder dat de algemene regel is dat het woningbouwinitiatief bestaat uit 50% huur en/of goedkope koop en 50% vrij te besteden. In de beleidsnota staat niet hoe de algemene regel toegepast moet worden op een initiatief dat bestaat uit één woning. Bij de toetsing van de percentages moeten initiatieven goed scoren op zeven in de beleidsnota genoemde woningtypen, doelgroepen en/of woonmilieus. Genoemd worden onder meer betaalbare woningen, woningen die bijdragen aan langer zelfstandig wonen, woningen voor focusdoelgroepen waaronder starters, en woningen met aantrekkingskracht op woningzoekenden buiten de regio.
7.2.    [appellant] wil op het perceel een vrijstaande woning bouwen in het duurdere segment. Het college heeft zich met juistheid op het standpunt gesteld dat met een woning zoals [appellant] die voor ogen heeft, niet wordt voldaan aan de vraag naar kleinere (en betaalbare) woningen voor jongeren en senioren. Dat toekomstige kopers van een op het perceel gerealiseerde woning elders een woning achterlaten die mogelijk geschikt is voor jongeren of senioren, zoals [appellant] heeft aangevoerd, maakt dit niet anders. Dit doet er immers niet aan af dat op het perceel niet een woning voor de doelgroep jongeren en senioren zal worden gebouwd.
Anders dan het college meent, betekent dit echter nog niet dat een woning op het perceel niet in overeenstemming is met de beleidsnota Woningbouw wat betreft woningtype, doelgroep en/of woonmilieu. Zoals [appellant] heeft betoogd, wordt met een grote woning in het duurdere segment mogelijk voldaan aan het vereiste dat een woning aantrekkingskracht heeft voor woningzoekenden buiten de regio vanwege een aantrekkelijke onderscheidende woonomgeving, wat volgens de beleidsnota Woningbouw een pré is. Het college heeft daarover geen standpunt ingenomen. In zoverre is niet vast komen te staan dat een woning op het perceel in strijd is met de beleidsnota Woningbouw. De weigering omgevingsvergunning te verlenen kon daarop dan ook niet worden gebaseerd.
Het betoog is terecht naar voren gebracht.
Afstand tot veehouderij
8.       [appellant] betoogt dat het college aan de weigering verder niet ten grondslag heeft mogen leggen dat een woning op het perceel binnen de richtafstand van 50 m van de mestplaat van de veehouderij op het perceel [locatie B] komt te liggen, waardoor op het perceel geen goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.
Er is volgens hem geen reden om opnieuw te beoordelen of een woonbestemming uit milieukundig oogpunt aanvaardbaar is. Hij wijst er daarbij op dat de raad de bestemming "Wonen" aan het perceel heeft toegekend en daarmee een volwaardig woongebruik aanvaardbaar heeft geacht.
Verder betoogt hij dat een woning op het perceel niet bepalend is voor de milieuhinder die de veehouderij mag veroorzaken. Hij wijst erop dat de woning [locatie B] wordt bewoond door een voormalige veehouder en dat dit pand dichter bij de stallen ten zuidoosten van het perceel ligt dan de woning, zoals die in het schetsontwerp is opgenomen.
8.1.    Van belang is de feitelijke situatie ten tijde van het besluit. Niet in geschil is dat toen op het perceel [locatie B] veehouderijactiviteiten werden verricht. De stallen van de veehouderij liggen, slechts gescheiden door een sloot, ten zuidoosten van het perceel. [appellant] heeft onbetwist gesteld dat de veehouder die op het perceel [locatie C] een veehouderij heeft, ook de veehouderijactiviteiten op het perceel [locatie B] verricht. Niet in geschil is dat de woning [locatie B] de voormalige bedrijfswoning betreft.
Het college heeft zich in het besluit en de daaraan ten grondslag liggende reactienota op zienswijzen op het standpunt gesteld dat een woning te dicht bij de dierverblijven en de opslag van agrarische bedrijfsstoffen van de veehouderij op [locatie B] zou komen, waardoor op het perceel een goed woon- en leefklimaat niet kan worden gewaarborgd. Hieraan heeft het college het advies van de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord van 6 december 2021 ten grondslag gelegd. Daarbij komt volgens het college dat ook rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid van vergunningsvrij bouwen van bijvoorbeeld een mantelzorgwoning, ook als daar geen concrete plannen voor zijn. Ook moet worden uitgegaan van de uitbreidingsmogelijkheden van de veehouderij. De veehouder kan door vergunningsvrije bouwmogelijkheden bij een woning op het perceel in zijn bedrijfsvoering worden beperkt, aldus het college.
8.2.    Het college heeft terecht getoetst of een woning op het perceel, in afwijking van het bestemmingsplan, in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan maakt een woning op het perceel immers niet mogelijk. Achtergrond daarvan is dat het perceel oorspronkelijk deel uitmaakte van het perceel [locatie A]. Nadat op dat perceel een nieuwe woning is gebouwd, is het perceel afgesplitst. Het perceel heeft vervolgens een tuinbestemming gekregen. Omdat in het geldende bestemmingsplan voor een andere systematiek is gekozen, zo heeft het college op de zitting bij de rechtbank toegelicht, was een tuinbestemming niet meer mogelijk. Daarom is aan het perceel een woonbestemming zonder bouwvlak toegekend.
Het college heeft zich, uitgaande van de feitelijke situatie ten tijde van het bestreden besluit, terecht op het standpunt gesteld dat een woning op het perceel nadelige gevolgen kan hebben voor uitbreidingsmogelijkheden van de veehouderijactiviteiten op het perceel [locatie B]. Dat dat perceel wordt gebruikt door de veehouder die ook de veehouderij op [locatie C] uitoefent, betekent niet dat, zoals [appellant] heeft betoogd, onaannemelijk is dat er behoefte aan uitbreiding is. Die veehouder heeft immers zijn activiteiten uitgebreid door deze op het perceel [locatie B] te gaan verrichten.
Ook heeft het college terecht van belang geacht dat bij een woning op het perceel omgevingsvergunningsvrij gebouwen kunnen worden opgericht. Zo kan op grond van artikel 2, aanhef en onderdeel 3, aanhef en onder b, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) in het achtererfgebied zonder omgevingsvergunning een mantelzorgwoning worden gerealiseerd. Een mantelzorgwoning kan dichterbij de agrarische bebouwing op het perceel [locatie B] komen dan de bestaande woningen [locatie A] en [locatie B]. Dit kan nadelige gevolgen hebben voor de veehouderijactiviteiten en het college heeft dat ongewenst mogen achten.
Dat [appellant] niet van plan zou zijn een mantelzorgwoning te realiseren bij een woning, doet hieraan niet af, alleen al omdat eventuele rechtsopvolgers dat mogelijk wel willen.
Gelet op wat hiervoor staat, heeft het college vanwege de nadelige gevolgen voor de veehouderij mogen weigeren mee te werken aan de afwijking van het bestemmingsplan voor het realiseren van een woning. Dit betekent dat de omgevingsvergunning om die reden mocht worden geweigerd.
Het betoog faalt.
Geen bespreking overige gronden
9.       Aan wat [appellant] verder in beroep heeft aangevoerd, komt de Afdeling niet toe. Deze gronden kunnen namelijk niet leiden tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning vanwege de nadelige gevolgen voor de veehouderijactiviteiten op het perceel [locatie B] niet heeft mogen weigeren. Zoals onder 8.2 is overwogen, mocht het college immers de omgevingsvergunning weigeren vanwege de nadelige gevolgen voor de veehouderij.
Conclusie
10.     Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd, zij het op andere gronden.
11.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.
w.g. De Groot
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Heusden
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2025
163-1138
BIJLAGE
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.12
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
[…]
3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.
[…].
Bestemmingsplan Dorpskernen II Herziening 2014
Artikel 16.1
De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. woonhuizen en bijbehorende bouwwerken bij woonhuizen […];
[…].
Artikel 16.2.1
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:
[…];
b. een hoofdgebouw zal binnen een bouwvlak worden gebouwd;
[…].