ECLI:NL:RVS:2025:498
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing opheffing inreisverbod vreemdeling
De vreemdeling, geboren in 1943 en afkomstig uit Afghanistan, verzocht om opheffing van een tienjarig inreisverbod dat tegen hem was uitgevaardigd vanwege zijn eerdere functie als officier bij de veiligheidsdienst KhAD/WAD. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees dit verzoek af wegens een actuele en ernstige bedreiging voor de samenleving, gebaseerd op artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit tot afwijzing, maar de minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State. De Raad oordeelde dat de minister een deugdelijke evenredigheidsbeoordeling had gemaakt, waarbij ook persoonlijke en medische omstandigheden van de vreemdeling en zijn echtgenote waren meegewogen. Tevens was de vreemdeling niet weersproken dat zorg ook door zijn in Nederland woonachtige zoon kon worden verleend.
Daarnaast stelde de Raad vast dat de minister voldoende inspanningen had verricht om de verwijderplicht van de vreemdeling te effectueren, ondanks de complexe situatie rondom uitzetting naar Afghanistan. De Raad vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de minister gegrond, waardoor het beroep van de vreemdeling alsnog ongegrond werd verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen het inreisverbod wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.