ECLI:NL:RVS:2025:5148

Raad van State

Datum uitspraak
27 oktober 2025
Publicatiedatum
27 oktober 2025
Zaaknummer
202405048/1/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel na vertrek naar land van herkomst

Appellant heeft bij besluit van 3 oktober 2022 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. Tevens is hem opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en is een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.

Appellant heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 15 juli 2024 het beroep gegrond verklaarde en het besluit vernietigde, met uitzondering van de afwijzing van de verblijfsvergunning. Hiertegen heeft appellant hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Tijdens de procedure heeft appellant verklaard te zijn vertrokken naar Syrië, zijn land van herkomst, en heeft hij ingestemd met beëindiging van openstaande procedures. Hierdoor heeft hij geen belang meer bij de beoordeling van het hoger beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag. De Afdeling verklaart het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang van appellant.

Uitspraak

202405048/1/V2.
Datum uitspraak: 27 oktober 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
A.      [appellant],
appellant,
tegen de beslissing van de geheimhoudingskamer van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 14 maart 2023, en de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 15 juli 2024 in zaak nr. NL22.20261 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 3 oktober 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, hem opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.
Bij beslissing van 14 maart 2023 heeft de geheimhoudingskamer van de rechtbank bepaald dat beperkte kennisneming van de bijlagen 10 en 11 bij het individueel ambtsbericht niet gerechtvaardigd is en het verzoek tot beperking van de kennisneming van de overige vertrouwelijke onderliggende stukken toegewezen.
Bij uitspraak van 15 juli 2024 heeft de rechtbank het door appellant tegen het besluit van 3 oktober 2022 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven voor zover dat ziet op de afwijzing van de aanvraag om appellant een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.J. Verwers, advocaat in Wageningen, hoger beroep ingesteld.
De minister en appellant hebben nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1.       De minister heeft de Afdeling bij brief van 19 september 2025 laten weten dat appellant is vertrokken naar Syrië, zijn land van herkomst. In de door appellant ondertekende vertrekverklaring is expliciet vermeld dat hij ermee instemt dat nog openstaande procedures voor het verkrijgen van een verblijfstitel worden beëindigd. In dit hoger beroep ligt alleen de afwijzing van de asielaanvraag voor. Gelet daarop heeft appellant geen belang meer bij een beoordeling van zijn hoger beroep. Dat appellant een nieuwe procedure heeft lopen over een ander besluit van de minister maakt dat niet anders, omdat dit geen deel uitmaakt van deze procedure in hoger beroep.
2.       Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. K. Veen, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Veen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2025
986