ECLI:NL:RVS:2025:5171
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel opgelegd door de minister van Asiel en Migratie
In deze zaak gaat het om een hoger beroep dat appellant heeft ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 4 juni 2025. De rechtbank had in die uitspraak het beroep van appellant ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De aanleiding voor de rechtszaak was een besluit van de minister van Asiel en Migratie, genomen op 25 mei 2025, waarbij aan appellant een vrijheidsontnemende maatregel was opgelegd. Appellant, vertegenwoordigd door mr. J.E. Groenenberg, heeft tegen deze beslissing hoger beroep aangetekend.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 31 oktober 2025 uitspraak gedaan. In de overwegingen van de uitspraak wordt gesteld dat het hoger beroep niet leidt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is volgens de Afdeling terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering van de rechtbank over en concludeert dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden.
Daarnaast heeft de Afdeling ambtshalve geen reden gezien om de grensdetentie onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister van Asiel en Migratie hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is openbaar uitgesproken op 31 oktober 2025.